Ter evaluatie van het debat gevoerd op 18-10-2010 heb ik een
individueel debatverslag opgesteld waarin ik inga op de voorbereiding,
samenwerking, structuur en het verloop van het debat en de ontvangen feedback
van medestudenten en de docente. Ik zal eindigen met een evaluatie van mijn
eigen rol binnen het debat.
Voorbereiding
Onze stelling moest worden opgesteld rondom het thema ‘
journalistiek en nieuwe media’.
Daarnaast konden we het gastcollege van Bert Brussen, gerenommeerd
blogger op de website www.Geenstijl.nl
(bekende Nederlandse weblog opgericht in 2003) en de verschillende artikelen als
inspiratie voor onze stelling gebruiken. Ook hadden René en ik al enige voorwerk
verricht aangezien onze stelling in het één op één debat al was gericht op de
burgerjournalistiek en specifiek op de journalistieke code.
Binnen onze debatgroep waren we het eens dat de stelling
over burgerjournalistiek zou moeten gaan. Daarnaast wilden wij debatteren over
de kwaliteit van burgerjournalistiek en de eventuele meerwaarde hiervan. Toch
vonden we het lastig om over de ‘kwaliteit’ de debatteren, aangezien dit een
vaag begrip is. Daarom hebben we geprobeerd om de huidige tegenstelling tussen
de burgerjournalistiek en beroepsjournalistiek te concretiseren, wat
uiteindelijk heeft geresulteerd in de volgende stelling:
‘Journalistiek als professionele beroepsgroep moet
veranderen
naar een open
praktijk’
De groepen zijn op natuurlijk wijze samengesteld; de
voorpartij was ook daadwerkelijk voor de stelling en de tegenpartij was uit
zichzelf tegen de stelling. Samen met René Naus zou ik de bovengenoemde
stelling verdedigen. De samenwerking rondom het opstellen van de stelling en de
voorbereiding op het debat verliep goed. Na bronnenonderzoek en het opstellen
van de argumentatie hebben wij de argumentatie, geformuleerd in grote lijnen,
uitgewisseld. Het doel hiervan was het controleren of we op één lijn lagen wat
betreft de stelling zodat er tijdens het debat niet langs elkaar gesproken
werd.
Structuur
Vervolgens hebben we nagedacht over de structuur van het
debat. Wij wilden vooral een gestructureerde opbouw, omdat een debat in
praktijk vaak minder gestructureerd loopt. Uiteindelijk hebben we gezamenlijk
gekozen voor een structuur waarin is gewerkt met spreektijd. In de eerste
rondes hadden zowel de voor- als tegenpartij drie minuten de tijd om hun
algemene visie op de stelling te geven met daarin de belangrijkste argumentatie
verwerkt. In de tweede ronde hadden beide partijen twee keer drie minuten de
tijd om de argumenten van de ander te weerleggen, oftewel om met elkaar in
debat te gaan. In praktijk is deze spreektijd niet gehanteerd omdat er vooral
in snel tempo werd gereageerd op elkaars argumenten. Spreektijd zou deze
spontane manier van debatteren hebbe beperkt. Daarnaast hebben we afgesproken
dat de sprekers zouden gaan staan om aan het woord te komen, onder andere om te
voorkomen dat de sprekers niet door elkaar zouden praten. Dit werkte in mijn
opzicht goed.
Het was voor ons ook belangrijk om tijdens het debat
interactiviteit met het publiek te creëren. Dit wilden wij bewerkstelligen door
tussendoor te vragen naar de mening van het publiek over de stelling. In
praktijk reageerden maar weinig mensen op deze vraag. Gelukkig ontstond er op
een gegeven moment wel een interessante groepsdiscussie, waarbij het publiek
met interessante opmerkingen en vragen richting de sprekers kwam. In de laatste
minuut zou eigenlijk een conclusie worden gegeven door beide partijen. Helaas
bleef deze conclusie achterwege, mede dankzij de spontane groepsdiscussie, wat
natuurlijk ook erg interessant was. Wel heeft de voorzitter een samenvatting
gegeven van de belangrijkste argumenten voor en tegen de stelling.
Kortom, tijdens het debat is er afgeweken van de vooraf
besproken opbouw en structuur. Toch vond ik het een redelijk gestructureerd
debat met heldere uiteenzetting van argumenten.
Samenwerking / rolverdeling
De samenwerking tussen mijzelf en René Naus is naar mijn
mening vlekkeloos verlopen. We hebben beide evenveel tijd en moeite in de
voorbereiding van het debat en onze argumenten gestoken. Daarnaast lagen we op
één lijn en dat maakte de samenwerking nog makkelijker. Naar mijn idee hebben
ook alle andere leden van deze debatgroep evenveel moeite en tijd in de
voorbereiding van het debat gestoken.
De voorzitter, Ludwine Dekker, nam het voortouw tijdens de
voorbereiding, wat erg fijn was.
Tijdens het debat was er een natuurlijke rolverdeling aan te
wijzen. Zo waren ikzelf mijn partner René Naus en Roos Vermeulen van de
tegenpartij wat vaker aan het woord dan de rest. Helaas was Max Laane iets
passiever en kwam Mariana Kniveton naar het einde van het debat toe, steeds
vaker aan het woord. Ludwine heeft haar rol als voorzitter in mijn opzicht goed
vertolkt maar wellicht had ze vaker naar bronnen kunnen vragen en ervoor kunnen
zorgen dat sommige mensen meer aan het woord kwamen. In de groepsdiscussie kwam
zij als voorzitter beter uit de verf.
Inhoudelijk verloop van het debat
De valkuil bleek in de formulering van de stelling te liggen.
Zo komen er een aantal vage termen in voor, namelijk: ‘journalistiek’,
‘burgerjournalistiek’ en ‘open praktijk’. Deze begrippen laten zich moeilijk definiëren en kunnen op
verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Daarom heeft de voorzitter,
Ludwine, gezorgd voor een duidelijke afbakening van begrippen. Toch blijft het
bij dit soort vage terminologie moeilijk om altijd op één lijn te zitten.
Daarnaast is het debat voor het publiek moeilijker te volgen. Een ander heikel
punt in de stelling, ook door het publiek beaamd, is het feit dat de journalistiek
al (op weg naar) een open praktijk is. Dit was dan ook onderdeel van één van de
belangrijkste argumenten vóór de stelling, namelijk: het heeft geen zin om deze
ontwikkeling tegen te gaan, dus is het zinvoller om door samenwerking tussen de
burgerjournalistiek enerzijds en beroepsjournalistiek anderzijds, deze
ontwikkeling in goede banen te leiden. Tijdens de voorbereiding zijn wij echter
ook tegen dit probleem aangelopen en daarom is toen het volgende afgesproken:
het is aan de voorpartij om aan te tonen dat deze ontwikkeling moet worden
doorgezet en het is aan de tegenpartij om aan te tonen dat deze ontwikkeling
niet wenselijk is en dus zoveel mogelijk beperkt moet worden. Uiteindelijk leek
het debat uiteindelijk meer te gaan over hoe die open praktijk eruit zou moeten
zien en niet of hij er moet komen wel of niet. Het was moeilijk om tot de kern
van de stelling te komen en de knelpunten weer te geven.
Helaas is het bij beide partijen niet gelukt om alle
argumenten te onderbouwen met bronnen, hoewel de tegenpartij hier iets
zorgvuldiger mee om ging dan de voorpartij. Daarnaast bleek dat beide partijen
niet lijnrecht tegenover elkaar stonden. Zo bleken we het beide eens te zijn over de
toegevoegde waarde van burgerjournalistiek binnen de huidige traditionele journalistiek. Voor mijn gevoel was
daarom vooral de argumentatielijn van de tegenpartij niet helemaal helder.
Feedback debat
Naar mijn mening voldeed het debat over het algemeen aan de
grondregels van een goed debat maar waren er ook een aantal punten van
kritiek. Daar waren de
medestudenten en de docente het ook mee eens. Bij deze een opsomming van de
feedback, die soms al ter sprake is gekomen in dit verslag:
-
Vaag termgebruik, begrippen werden wel
verduidelijkt maar toch is het moeilijk voor het publiek om het debat te
blijven volgen. Tip: belangrijkste definities geprojecteerd.
-
De essentie van journalistiek zelf bleef vaag.
Dit werd teveel buiten beschouwing gelaten.
-
Er werd afgeweken van de stelling, het debat
ging uiteindelijk over hoe die open praktijk eruit moet zien en niet of hij er
moet zijn. Wellicht had de stelling beter kunnen gaan over het feit of die
ontwikkeling van de journalistiek naar een open praktijk wenselijk is of niet.
In plaats van het debatteren over de stelling alsof deze ontwikkeling nog in
gang moet worden gezet.
-
De partijen stonden niet lijnrecht tegenover
elkaar.
-
Burgerjournalistiek werd gelijk gesteld aan social
media, alsof deze alleen kan bestaan bij de gratie van nieuwe media.
-
Gebruik en introductie van bronnen liet te
wensen over. Door een strakke voorbereiding kan je ervoor zorgen dat je deze
argumenten, onderbouwd met bronnen, beter op een rij hebt.
-
Het woord werd in het algemeen niet naar het
publiek gericht maar naar de opponent.
-
De sprekers moeten hun tijd en ruimte pakken om
hun argumentatie helder uiteen te zetten.
-
De voorzitter kon alerter optreden.
-
Het was onduidelijk waar het knelpunt precies
lag.
-
Meer praktische voorbeelden geven ter
ondersteuning van argumentatie.
De gegeven feedback was opbouwend en terecht. Voor mij is
het ook duidelijk hoe dit de volgende keer verbeterd of voorkomen moet worden.
Eigen positie in het debat
Binnen het debat was ik één van de twee voorstanders van de
stelling. Aangezien ik mezelf tijdens
het één op één debat ook al had opgesteld als voorstander van burgerjournalistiek,
was het voor mij logisch dat ik vóór deze stelling zou zijn. Ik denk dat ik
mijn rol als voorstander van een open praktijk binnen de journalistiek goed
vertaald heb maar dat er een aantal dingen beter konden. Waar ik zelf tegenop
liep was het vinden van de juiste argumentatie, deze onderbouwen met de juiste
bronnen en tegelijkertijd de argumenten van de tegenstander weerleggen. Op
papier is er een duidelijke argumentatiestructuur aanwezig, maar in de praktijk
blijkt de grootste uitdaging te liggen in het vinden van de juiste
argumentatielijn. Als gevolg liet
het brongebruik te wensen over en heb ik niet al mijn argumenten (logisch)
kunnen inzetten. Aan de andere kant was mijn inleiding met onze algemene visie
op de stelling in mijn ogen een succes. Ook ben ik naar mijn mening voldoende
actief geweest in het verdedigen van de stelling.
Gelukkig heb ik ook persoonlijke feedback op mijn rol in het
debat ontvangen van de docente. Zo maakte ik tijdens het debat gebruik van
retoriek, had ik goede overtuigingskracht en kwam ik zelfverzekerd en wel
besproken over. Daarnaast richtte ik me tot het publiek en gebruikte ik
lichaamstaal om mijn argumenten kracht bij te zetten. Ook was er opbouwende
kritiek gegeven. De docente gaf aan dat het gebruik van voorbeelden of
metaforen om argumenten te illustreren goed is maar dat de tegenpartij dit ook
tegen mij kan gebruiken en dat ik me er dus goed in mijn verdiepen om dit te
voorkomen. In het debat gebruikte ik namelijk Wikipdia als voorbeeld van
burgerjournalistiek die van betere kwaliteit had kunnen zijn wanneer de
professionele encyclopedieën de ontwikkeling van Wikipedia hadden begeleidt. De
tegenpartij bracht een aspect van Wikipedia naar voren, namelijk het gebruik
van moderators, wat voor mij onbekend was. Hier moet ik letten op taalgebruik,
dus nooit zeggen: ‘Dat wist ik niet’.
Dit gaat ten koste van mijn geloofwaardigheid. Ook was het argument,
gekoppeld aan dit voorbeeld, helaas niet onderbouwd met een bron.
Concluderend ben ik tevreden met de vertolking van mijn rol
binnen dit debat en kijk ik terug op een redelijk gestructureerd debat met
interessante interactie tussen het publiek en de sprekers. Inhoudelijk had het
debat sterker kunnen zijn, onder andere als gevolg van vage termen en een
stelling die niet honderd procent waterdicht bleek te zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten