vrijdag 5 november 2010

Farewell Facebook - Short movie

Tegenwoordig hebben veel mensen een account op Facebook, maar wat doen we eigenlijk echt op Facebook? Korte documentaire van de Nederlandse Film en Televisie academie waarbij Facebook op een interessante manier in een ander licht wordt gezet. 




Eindevaluatie cursus



Evaluatie cursus ‘Nieuwe Media in het Actuele Debat’














Na acht weken van intensief debatteren en talloze interessante werk- en hoorcolleges is ook deze cursus tot een eind gekomen. Op 4 november vond hetgeen plaats waar we de afgelopen weken eigenlijk naar toe hebben gewerkt: het einddebat. Gedurende deze cursus hebben sommigen van ons zich ontpopt tot ware debatanten of volwaardige voorzitters en tijdens het einddebat kregen we voor de laatste keer de kans om onze verworven debatervaardigheden in de strijd te zetten.

Het einddebat bestond uit verschillende rondes waarbij de winnaars van elke ronde het tegen elkaar moesten opnemen. Ikzelf was voorzitter en kan met trots vermelden dat ik alle rondes heb gewonnen en uiteindelijk tot ‘oppervoorzitter’ ben bekroond. Een ware mijlpaal in mijn studiecarrière mag ik wel zeggen! De debatgroep opgesteld uit onze eigen werkgroep heeft het tot de kwartfinales geschopt. De stellingen waarover gedebatteerd werd zijn gedurende de cursus allemaal al een keer aan bod gekomen. Ook in dat opzicht was het einddebat een geheugen opfrisser van wat wij de afgelopen weken allemaal geleerd hebben. Naast dat het erg leerzaam was vond ik het einddebat vooral ook erg leuk.

Dezelfde conclusie geldt eigenlijk voor de gehele cursus Nieuwe Media in het Actuele Debat. Kijkend naar mijn achtergrondopleiding (Hoge Hotelschool), kan ik zeggen dat ik qua algemene kennis over nieuwe media toch wel achterloop op de meeste van mijn medestudenten. Deze cursus heeft voor mij een licht geworpen over de verschillende actuele discussies rondom nieuwe media en de digitale cultuur. Te denken valt aan nieuwe media in relatie tot games, auteursrecht, politiek, privacy etc.

De opbouw van de gehele cursus vond ik er fijn. Zo werd er duidelijk gewerkt rondom bepaalde thema’s die werden ingeleid door een hoorcollege en een gastspreker. In de werkcolleges werd de verworven kennis uit het hoorcollege en de lesstof van die week in praktijk gebracht door de debatgroep. Er kwam natuurlijk ook de nodige zelfstudie aan te pas, waarbij ik me goed kon verdiepen in de verschillende onderwerpen die aan bod kwamen. Uiteindelijk werden alle standpunten en bijbehorende argumentatie rondom een onderwerp op een rijtje gezet. Zo merkte ik dat ik veel vooroordelen had over bepaalde zaken, die ik na het hoor- of werkcollege toch moest herzien. Het afwegen van verschillende standpunten heeft ervoor gezorgd dat ik mezelf kan situeren binnen een bepaald debat of vraagstuk over nieuwe media in relatie tot andere zaken.

Zowel het voorbereiden op discussies, het lezen van de opgegeven literatuur als het bijhouden van mijn ontwikkeling middels een logboek, vond ik een erg prettige manier van leren. Ik heb mezelf tijdens de cursus op verschillende vlakken ontwikkeld. Zo heb ik naast debatteervaardigheden ook aan mijn communicatievaardigheden en organisatorische vaardigheden kunnen werken. Door middel van het logboek heb ik geleerd hoe ik correct academische teksten moet schrijven.

Natuurlijk is er altijd ruimte voor verbetering. Zo vond ik jammer dat het gehele werkcollege aan een debat werd gewijd, waarbij slechts één aspect uit het thema van die week werd belicht. Op de manier was er weinig tijd om, buiten het debat om, met elkaar te praten of discussiëren over de verschillende thema’s. Daarnaast waren ook niet alle gastsprekers even sterk en moest je soms zoeken naar de juiste boodschap door het stellen van de juiste vragen, waar gelukkig wel ruimte voor werd gecreëerd.

Al met al kan ik concluderen dat de cursus Nieuwe Media in het Actuele Debat een succesvolle, leerzame en ook leuke cursus was aan het begin van mijn opleiding aan de Universiteit van Utrecht.

woensdag 3 november 2010

Commentaar blog Marieke Pots


Het is de bedoeling dat we als studenten binnen de cursus feedback op elkaars werk leveren. Bij deze geef ik commentaar op het logboek van Marieke Pots, blog url: http://w1pots.blogspot.com

Inhoud
In de weekverslagen worden de hoorcolleges en de bijbehorende artikels besproken. Alle verslagen bevatten een inleiding tot het hoorcollege en het thema van de desbetreffende week. Ook wordt het thema vanuit verschillende uitgangspunten benaderd, waarbij er bijvoorbeeld ook onderzoeken worden gebruikt ter ondersteuning van bepaalde argumentatie. Toch wordt er voornamelijk ingegaan op de hoorcolleges in relatie tot de bijbehorende artikelen.
De nieuwsberichten zijn interessant en halen ook recent gedane onderzoeken aan. Je zou eventueel andere (tegengestelde )standpunten omtrent het besproken onderwerp kunnen weergeven. Wel is het duidelijk waarom een bepaald nieuwsbericht relevant is binnen deze cursus. Wat me verder opvalt is dat je binnen het uiteengezette debat en de nieuwsberichten vaak een duidelijke stelling inneemt. Echter gaat het er hier vooral om het uiteenzetten van de verschillende standpunten binnen het actuele debat en niet zozeer het weergeven van je eigen mening.
De evaluaties van de debatten zijn duidelijk. Je geeft om een mooie manier de sterktes en zwaktes van het debat weer en gaat in op de individuele sprekers. Ik mis soms de evaluatie rondom de inhoud van het debat, wat bijvoorbeeld in de laatste evaluatie van week 5 wel is gedaan.

Opbouw
Je artikelen zijn goed opgebouwd, ze bevatten een inleiding waardoor het verhaal ook voor derden duidelijk is. Daarnaast sluit je de artikelen op mooie manier af, ofwel met een conclusie of met het geven van je eigen mening. Alineagebruik maakt de inhoud overzichtelijk. Daarnaast vind ik het overzicht in categorieën, naast het blogarchief, erg fijn werken. Je houdt de tijdslijn van de cursus aan en je kan de artikelen dus zowel op tijd als categorie / thema terugvinden.

Schrijfstijl
Je schrijfstijl is wat mij betreft helder en duidelijk. Ik zou het ook als ‘formeel’ of zakelijk kunnen omschrijven, omdat er bijvoorbeeld geen humor wordt gebruikt. Daarnaast is je schrijfstijl niet poëtisch maar juist direct; je zegt waar het op staat. Je gebruikt vaak de uitdrukking ‘al met al’. Wellicht zou je de verschillende personen kunnen citeren om wat afwisseling in schrijfstijl in te brengen. Je gebruikt ook geen voetnoten in je teksten.

Vormgeving
De vormgeving van de blog is prettig. Je gebruikt soms afbeeldingen om het geheel wat op te leuken. De witte kop is pakkend. Misschien kan je wat meer kleur gebruiken in de koppen om aandacht te trekken.

Bronnen
Het brongebruik is prima. Binnen je weekverslagen maak je gebruik van zowel de verplichte als niet verplichte bronnen. Soms heb je ook gebruik gemaakt van andere bronnen, wellicht zou je dit meer kunnen doen om tot andere inzichten te komen. Het viel mij op dat je in het weekverslag van week 3 een bron vermeldt in je verhaal die niet terugkomt in de bronvermelding namelijk een recent onderzoek (Vier in Balans Monitor) van Kennisnet.


Mediabericht - "2027: RIP Nederlandse kranten (of niet?)"


Kan de krant definitief bij het oud papier?

Steeds minder vaak pakken de mensen de krant, en ondertussen speelt internet een steeds grote rol in de journalistieke wereld. Internet lijkt veel sneller en populairder geworden en bovendien is het nieuws op het internet gratis te verkrijgen. Mede dankzij gratis online journalistiek heeft de krant moeite zijn positie te behouden. Zo blijkt ook uit onderzoek van het CBS over het internet versus de traditionele media [i]. Reden genoeg om vraagtekens bij de toekomst van de traditionele krant te zetten. 

Maar zullen de nieuwe media de traditionele media, zoals de krant, ooit vervangen?

Volgens futuroloog Ross Dawson moeten we ons niet afvragen óf internet de gedrukte kranten zal vervangen, maar wanneer. Dit las ik in een artikel op www.nieuwereporter.nl [ii]. Volgende deze futuroloog zal de laatste krant in 2027 gedrukt worden. Landen als Denemarken, Noorwegen, Australië en Canada zijn ons dan al voor gegaan. In de Verenigde Staten is het over zeven jaar zelfs al gedaan met de kranten. In een zogenaamde ‘Newpaper Extinction Timeline’ geeft Ross Dawson een overzicht van zijn bevindingen weer [iii]. Hij onderbouwt zijn voorspellingen door rekening te houden met een aantal factoren en ontwikkelingen wereldwijd en specifiek binnen elk land. Deze omvatten wereldwijde invloeden zoals de dalende kosten van mobiele telefoons, tablets en e-readers, de ontwikkeling van digitale kranten van hoge kwaliteit en trends in reclame en digitaal nieuws. Onder de nationale invloeden die effect zouden hebben op de ‘uitsterving van kranten’, vallen onder meer de technologische en economische ontwikkelingen in elk land.

Desondanks blijft het onduidelijk hoe Dawson op basis van bovenstaande informatie precies vaststelt in welk jaar de kranten zullen sterven en wat het doel van zijn voorspelling precies is.  Daarnaast blijft de toekomst onzeker en blijven deze conclusies dus speculaties. Dawson heeft met zijn voorspelling heel wat controversie aangewakkerd. Van kritiek op het tempo van de veranderingen tot het afschrijven van zijn voorspelling als complete onzin. Op zijn eigen weblog geeft Dawson zijn visie en uitleg bij de door hem opgestelde Newspaper Extinction Timeline. Volgens hem is scenario planning de beste manier om mensen te helpen begrijpen hoe onzeker de toekomst (van de krant) is en hoe we ons hier effectief op kunnen voorbereiden. Zo geeft hij zelf aan: ‘However in more recent years I have found that being more specific helps to focus people's minds. If they think the forecast may be right, then there is something very concrete that they have to think through and work out how best to respond. If they disagree, then they need to think through why they think the forecast is wrong, helping to crystallize their own thinking.’3 Het gaat er dus niet om of Dawsons voorspellingen over de uitsterving van de kranten wereldwijd kloppen, het gaat om de bewustwording van de mensen over het feit dat de klok blijft tikken en dat we ons moeten voorbereiden op wat de toekomst kan brengen.

Het internet vormt een extra concurrentie voor de kranten, maar volgens velen betekent dat nog niet het einde van de krant. Zo geeft ook Bert Brussen tijdens het hoorcollege op 14 oktober aan: ‘De krant kan nu nog niet verdwijnen, we hebben namelijk te maken met een vergrijsde samenleving. Mensen zijn papier gewend.’ Het sleutelwoord is hier synergie, dus een situatie waarin het effect van samenwerking groter is dan elk van de partijen afzonderlijk zou kunnen bereiken. Zo biedt het internet voordelen op het gebied van kwantiteit en snelheid waarop nieuwsgaring en verspreiding plaatsvindt. Waar dit medium juist zeer geschikt is voor zaken die weinig interpretatie behoeven, zijn er andere soorten nieuws, bijvoorbeeld in de politiek sfeer, die meer diepgang nodig hebben. Hier is de rol van kranten in onze samenleving nog steeds aanzienlijk. Kranten bieden namelijk de diepgang en de onderzoekskant die online media vaak missen.

Titia Ketelar, adjunct-hoofdredacteur van NRC Handelsblad en chef redactie van nrc.next, zegt het volgende over dit onderwerp: “Als er geen toekomst zou zijn voor gedrukte kranten, waren wij drie jaar geleden nooit met nrc.next begonnen. De journalistiek moet zichzelf opnieuw uitvinden. Lezers zijn niet meer gewend om op een bepaald tijdstip een krant op de mat te vinden. Ze willen informatie ontvangen van een betrouwbare bron, maar dan wel op hun eigen manier en op een zelfgekozen tijdstip.” [iv]


Bronnen:


[i]  CBS. Mei 2009. “Internet verdringt traditionele mediaproducten”
(Laatst bekeken 3-11-2010)

[ii] De Nieuwe Reporter. 3 november 2010. “2027: RIP Nederlandse kranten (of niet?)”
(Laatst bekeken 3-11-2010)

[iii] R. Dawson. 31 oktober 2010. “Launch of Newspaper Extinction Timeline for every country in the world”
(Laatst bekeken 3-11-2010)

[iv] A. Willemse en M. Koop. Mei 2009. “Het Issue: Papier hier?
(Laatst bekeken 3-11-2010)

maandag 1 november 2010

Werkcollege - Analyse debatgroep 5


Analyse debatgroep 5 – Thema: Politiek en Nieuwe Media 2: Privacy and surveillance

Het thema van het debat van deze week was politiek en nieuwe media in relatie tot privacy. De debatgroep heeft over de volgende stelling gedebatteerd:

“Het centraliseren van de gegevens van ieder individueel kind moet verboden worden”

De opstelling van dit debat was anders dan normaal aangezien het een één op één debat was. Daarbij speelde het publiek een grotere rol dan anders. Weer werd er gebruik gemaakt van een tijdslimiet en verschillende rondes. De partijen hadden beide vijf minuten voor de uiteenzetting van hun argumentatie voor en tegen de stelling. In de tweede ronde werd er gedurende drie minuten ingegaan op elkaars argumenten en vervolgens zou er een open discussie met het publiek plaatsvinden. Marissa Piso was voor de stelling en Marieke Pots was tegen de stelling. Bram de Rijk, deelnemer aan het debat over games en onderwijs, heeft zich opgegeven als voorzitter voor dit debat.

Bram heeft een duidelijk inleidend verhaal gegeven waarbij ook de begrippen, opgenomen in de stelling, werden afgebakend. In vergelijking met voorgaande debatten was de stelling wat mij betreft erg duidelijk, sterk en ondubbelzinnig. Doordat de stelling zo goed was, leek ook de argumentatie logisch aan te sluiten op de stelling. Dit maakt het debat een stuk makkelijker te volgen en ook makkelijker voor het publiek om een stelling in te nemen. De voorzitter speelde hierbij een belangrijke rol. Hij hield de sprekers en het publiek bij de kern van de stelling en zorgde ervoor dat er niet teveel van de stelling werd afgeweken. Wat dat betreft is Bram als voorzitter verantwoordelijk geweest voor het gestructureerde verloop van het debat, wat ik erg sterk vond. Ook stelde hij goede vragen en greep in waar nodig. Hij heeft in mijn ogen de rol van voorzitterschap het beste vervult en aangezien ik voorzitter zou zijn bij het plenair einddebat, heb ik zijn sterke optreden als voorzitter als voorbeeld kunnen nemen.

Zowel Marissa als Marieke hebben bijgedragen aan het succes van het debat door hun sterke argumentatie en weerlegging van argumenten. Er werd goed naar elkaar geluisterd en op elkaar gereageerd. Marieke kwam erg rustig en duidelijk over en bleef bij haar standpunten. Marissa leek iets zenuwachtiger maar erg betrokken bij haar standpunt. Ze praatte soms ietwat te snel maar toch bleef haar verhaal duidelijk. Beide vielen soms bij hun argumentatie in de herhaling.

Het debat ging over de voor- en nadelen van datamining, oftewel het digitaal samenstellen van profielen waarbij problemen bij kinderen op een vroeg stadium (h)erkend zouden worden. De vraag die hierbij centraal staat is de volgende: weegt de inlevering van privacy op tegen de voordelen en het bereiken van het doel. Een onderwerp wat ook centraal stond tijdens het hoorcollege van Stephan Okhuijsen van Bits of Freedom. In het begin ging het debat te weinig over de gevaren van algoritmes en profielschetsen, echter zorgde Bram dat het debat hierop gefocust werd.

Marissa ging vooral in op het feit dat onze privacy op deze manier wordt geschonden en dat de profielen die op deze manier geschetst worden, niet altijd realistisch zijn en problemen oproepen. Een minpunt aan haar argumentatie was het hypothetische en voorspellende karakter. Dit kwam naar voren in retorische vragen zoals: ‘Is de privacy gegarandeerd, wat als data uitlekt’? Het blijft natuurlijk ook lastig om hierbij met harde feiten te komen. Marieke vond wel degelijk dat het middel proportioneel is voor het doel. Volgens haar kan een centrale database waarbij informatie gecombineerd wordt en patronen herkend, bijdragen aan het signaleren van problemen bij jongeren in een vroeg stadium. Marieke ging echter minder in op de risico’s die het schetsen van profielen op deze manier met zich meebrengt.

Beide partijen maakten goed gebruik van bronnen en voorbeelden ter illustratie van hun argumentatie. Marieke gebruikte bijvoorbeeld voorbeelden uit de praktijk, die goed op de verbeelding inspraken. Ook werden de bronnen op een meer natuurlijke manier ingebracht, een probleem waar de vorige groepen vaak tegenop liepen.

Al met al kan ik concluderen dat dit debat het beste debat uit de gehele cursus is. Mede dankzij het sterke optreden van de voorzitter, de duidelijke stelling, de logische argumentatie ondersteund met bronnen en de rol van het publiek. Natuurlijk is het ook wel logisch dat de debatten in de loop van tijd beter zijn geworden aangezien we met z’n allen kunnen leren van zwakke en sterke punten van de voorafgaande debatten.



donderdag 28 oktober 2010

Hoorcollege 5 - Stephan Okhuijsen



   Privacy versus veiligheid















Privacy, een veelgebruikte term en een waardevol begrip
volgens velen. Wij als Nederlandse burgers hebben dan ook het recht op privacy. In Nederland is het recht op privacy vastgelegd in de artikelen 10 tot en met 13 van de Nederlandse Grondwet. Maar wat betekent het recht op privacy precies? De eerste definitie van het privacyrecht, beschreven door Warren en Brandeis, is: ‘the right to be left alone’ [i]. Het recht is de wettelijke bescherming van onze persoonlijke levenssfeer en draait om de bescherming van persoonsgegevens, de bescherming van ons lichaam en onze woning en de bescherming van het gezinsleven. Het omvat ook het recht om vertrouwelijk te communiceren via brief, telefoon, e-mail en dergelijke. Kortom, privacy betekent dat je als burger dingen kan doen zonder dat de buitenwereld daarvan weet of inbreuk op maakt.

Ons recht op privacy lijkt echter tegenstrijdig te zijn met andere belangen. Veiligheid is een van de belangrijkste belangen die op gespannen voet leeft met privacy. Stephan Okhuijsen, medewerker van Bits of Freedom, een organisatie die onze digitale burgerrechten beschermd, gaat hier op het gastcollege van 28 oktober 2010 op in. De overheid voert sinds 2000 stelselmatig wetten in welke onze privacy aantasten. Ze krijgen steeds meer grip en middelen. Met name sinds 11 september, de start van de klopjacht naar terroristen, is deze ontwikkeling versterkt. De overheid moet alles in de gaten kunnen houden, aldus Stephan Okhuijsen. Echter, de toenemende hoeveelheid wetten en regels, onder het mom van terrorismebestrijding, leidt tot een toenemend aantal maatregelen die in strijd zijn met ons recht op privacy.

In het artikel van David Lyon, “National ID Cards: Crime-Control, Citizenship and Social Sorting” 2007 [ii], gaat Lyon ook verder in op deze tegenstrijdigheid in belangen. In het artikel wordt er gesproken over ID-kaart systemen die, onder het mom van technologie, veiligheid en administratieve efficiëntie, wereldwijd worden ingevoerd. Deze systemen worden gebaseerd op biometrie en maken gebruik van doorzoekbare databases die al onze gegevens opslaan. Ook Stephan Okhuijsen benadrukt dat de overheid en bedrijven steeds meer gegevens van ons opslaan. Een voorbeeld van een wet die dat mogelijk maakt, is de dataretentie wet. Een Europese maatregel die aangeeft dat alle verkeersgegevens van een burger een jaar lang bewaard moeten worden. Denk hierbij aan bel gegevens, websites en e-mails. Deze gegevens worden opgeslagen door de providers zelf.

Gegevens zijn o.a. door technologische ontwikkelingen steeds makkelijker op te vragen en te combineren. Bij mij en velen dan de vraag: ‘wat gebeurd er met al onze gegevens en waarom worden deze opgeslagen?’. Het verzamelen, analyseren en combineren van gegevens leidt tot een profiel voor iedere burger. Op basis van dit profiel kunnen beslissingen worden genomen. Dit proces waarbij patronen uit gegevens worden gehaald, wordt ook wel datamining genoemd. Stephan Okhijsen maakte duidelijk dat het AIVD alle gegevensbestanden van de overheid en het bedrijfsleven mag opvragen en gebruiken voor analyse. Iedere overheidsinstelling is dan ook verplicht deze gegevens af te staan. Dit betekent dus dat het AIVD toegang heeft tot de (privé) gegevens van elke burger, in het kader van nationale veiligheid.

Het opslaan, combineren en analyseren van gegevens ter wille van onze veiligheid, brengt een aantal problemen met zich mee. Zo worden burgers in de gaten gehouden die aan een bepaald statistisch profiel voldoen en niet omdat ze verdacht zijn. De statistische analyse gebeurd bovendien niet door wetenschappers maar door de politie. Daarnaast is het aannemelijk dat het trekken van correcte conclusies aan de hand van analyses geen makkelijke taak is, waardoor eventueel verkeerde statische profielen zouden kunnen ontstaan.

Een soortgelijk probleem wordt ook geschetst in het artikel van Lyon waarbij het draait om ID-systemen die afhankelijk zijn van biometrie. De codes die bepalen in welke categorie individuen geplaatst worden, zijn gerelateerd aan lichamelijke en gedragskenmerken van mensen. Dit betekent dat de beslissingen die worden genomen bij het indelen van individuen in (twijfelachtige) categorieën, waarschijnlijk geen rekening houden met het leven in de alledaagse levenswereld van mensen. Lyon: “New IDs ‘sort things out’ (Bowker and Star 1999) in new ways, the consequences of which have yet fully to be seen. And, moreover, they do this remotely — at a distance — and using biometric measures, thus removing these markers of ‘identity’ even further from the struggles of daily life and the sphere of political debate.” 1

Volgens Stephan Okhijusen is er sprake van een onbalans in de macht, diegene die jou gegevens bewaard heeft macht. Hoe meer informatie hoe meer macht. Lyon heeft het zelf over een ‘culture of control’ waarbij wij als burgers worden gecontroleerd en geanalyseerd. De grenzen verschuiven, machtsrelaties zijn aan het werk en hebben grip op onze gegevens, onze levens en op onze maatschappij. En in dit proces lijkt onze privacy grondig te worden geschonden. Maar zijn wij ons hiervan bewust?

De groeiende wens naar meer veiligheid en de dreiging van terrorisme lijken er toe te leiden dat burgers steeds minder moeite hebben om de beperkingen van de privacy te accepteren, aldus het Sociaal Cultureel Planbureau in 2004 [iii]. Ook de overheid wordt gevoed met het idee dat onze privacy ondergeschikt is aan onze veiligheid. De conclusie volgt uit het rapport "Gewoon Doen, beschermen van veiligheid en persoonlijke levenssfeer" van de commissie Veiligheid en persoonlijke levenssfeer, die vorig jaar in het leven werd geroepen [iv].

Veiligheid en de angst op terreur wegen zwaar en het lijkt erop dat onze privacy het moet ontgelden. Betekent dit dan het einde van onze privacy? Op die vraag kan niemand een antwoord geven. Wel kunnen en moeten we stilstaan bij de maatregels en de bijbehorende effecten hiervan in verhouding tot het probleem dat we willen oplossen. Er zal er een balans gevonden moeten worden tussen de functionaliteit die mensen en bedrijven willen van het internet, en de hoeveelheid persoonlijke informatie die daar tegenover staat. Oftewel een balans tussen veiligheid en privacy.



Bronnen:


[i] S. Warren en D. Brandeis. 1890. “The right to privacy”
(Laatst bekeken op 05-11-2010)

[ii] D. Lyon. 2007. “National ID Cards: Crime-Control, Citizenship and Social Sorting”
(Laatst bekeken op 05-11-2010)

[iii] 2004. “Burgers vinden veiligheid vaak belangrijker dan privacy”
(Laatst bekeken op 05-11-2010)

[iv] 2009. “Advies aan overheid: Veiligheid gaat voor privacy”
(Laatst bekeken op 05-11-2010)

maandag 25 oktober 2010

Mediabericht - "Google onderschepte wachtwoord en e-mail"

Google is watching you

De discussie over privacy van internetgegevens lijkt geen einde te kennen. Zo kwam ik in de Telegraaf een interessant nieuwsbericht tegen waarin Google de privacy van de burger heeft geschonden bij het maken van foto’s voor Google StreetView [i]. Google streetView is een gratis dienst aangeboden door Google, die het mogelijk maakt voor de gebruiker om 360°-panorama-foto's te bekijken van straten op straatniveau. Het totaal aantal gefotografeerde wegen in Nederland bedraagt nu zo’n 75.600 kilometer.

Deze dienst werd gelanceerd in 2007 en heeft al heel wat kritiek gekregen wegens schending van de privacy. Zo zijn er bijvoorbeeld foto’s te zien van mannen die een stripclub verlaten, blote zonnebaders of mannen die een prostituee oppikken. Afgelopen mei kwam Google ook  al in het nieuws doordat zij per ongeluk ip-adressen verzameld hadden. Ditmaal zijn complete e-mails en wachtwoorden door Google binnengehaald tijdens het verzamelen van foto’s voor Google StreetView. Dit is natuurlijk een ernstige inbreuk op de privacy van de burgers. Volgens Google gebeurde dit alles zonder opzet en ‘per ongeluk’. Het blijft natuurlijk wel erg vreemd dat dit soort gevoelige data wordt binnengehaald tijdens het maken van foto’s.

Privacydeskundige Alberdingk Thijm geeft in het artikel aan dit een kwalijke zaak te vinden: “E-mails en wachtwoorden zijn bij uitstek privacygevoelig. Ze zijn namelijk direct herleidbaar tot personen. De schending van de privacywetgeving is buiten kijf” .
Aan de andere kant zijn er dus ook genoeg mensen die hun draadloze netwerk en e-mail zonder beveiliging gebruiken, dit heeft natuurlijk iets te maken met eigen verantwoordelijkheid. Het belang van een veilig draadloos thuisnetwerk wordt maar weer eens benadrukt.

Google neemt op zijn beurt maatregelen om de privacy van de burger te beschermen. Zo worden gezichten onherkenbaar gemaakt en nummerborden onleesbaar. Ook heeft Google het inmiddels gemakkelijker gemaakt om ongewenste foto’s te laten verwijderen.
Daarnaast is er een wet opgesteld die est dat Google onvervaagde StreetView beelden niet twaalf, maar slechts zes maanden bewaart. Ook wil de Europese privacywerkgroep dat google van tevoren aankondigt wanneer zij beelden gaan verzamelen voor StreetView. Dat zou via de lokale of nationale pers moeten worden gecommuniceerd.

Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) is afgelopen mei een onderzoek begonnen naar het verzamelen van privé-informatie door Google in Nederland. Dat onderzoek is nog in volle gang [ii].


Bronnen:


[i]  A. Monterie. 25-10-2010. “Google onderschepte wachtwoord en e-mail”
(Laatst bekeken op 25-10-2010)

[ii]  NOS. 21 mei 2010. “CBP start onderzoek naar Google”
(Laatst bekeken op 25-10-2010)

(Laatst bekeken op 25-10-2010)

E. Hamel. 11 maart 2010 “Google Street View ontsluit Nederland”
(Laatst bekeken op 25-10-2010)

Werkcollege 5 - Analyse debatgroep 4

Analyse debatgroep 4 – Thema: Politiek en Nieuwe Media 1: Participatie
 Het thema van het debat van deze week was politiek en nieuwe media. De debatgroep heeft over de volgende stelling gedebatteerd:

“De mogelijkheden van social media hebben geleid tot een rationeel debat
tussen burger en politiek”

Er werd een duidelijk inleiding gegeven door de voorzitter, Wendy Straathof. De stelling leek op het eerste opzicht duidelijk en de begrippen waren eveneens door de voorzitter afgebakend. Echter bleek dat er tijdens het debat onduidelijkheid ontstond omtrent de stelling. Ten eerste is de term social media een breed begrip, wat vooral lastig is in het licht van de stelling. Aan de ene kant heb je de blogs en discussiefora en aan de andere kant heb je social netwerksites zoals Twitter. Het is haast onmogelijk om deze verschillende media onder één noemer te schuiven. Daardoor leken beide partijen soms langs elkaar heen te praten en gaven ze niet altijd duidelijk aan over welk soort social media het ging en waar wel of niet een rationeel debat plaatsvindt. Ten tweede ging het debat voor een groot deel over het begrip ‘rationeel debat’. Beide partijen hadden een andere voorstelling bij de definitie van dit begrip en dit leidde het debat af van de werkelijke stelling. Zo gingen beide partijen ook lang door over de gelijkwaardige toegang tot bepaalde online platforms. In mijn ogen blijft die gelijkwaardigheid echter een illusie. De voorzitter had in dit opzicht actiever moeten zorgen dat het debat niet te veel van de stelling zou afwijken.

Kijken naar het brongebruik, werden helaas niet alle uitspraken en standpunten onderbouwd met bewijs. In de evaluatie gaven de sprekers ook aan dat zij hier moeite mee hadden. Ook ontbrak het soms aan praktijkvoorbeelden, die het debat wat levendiger hadden kunnen maken. Wel werd er het gesproken over Habermas en zijn definitie van publieke sfeer in vergelijking met deze stelling. Echter sloeg die vergelijking de plank mis aangezien het er bij de publieke sfeer van Habermas niet ging over machthebbers of politiek maar over de burgers onderling.

Tijdens het debat heb ik specifiek gelet op de argumenten die beide partijen aanvoerden. De tegenpartij is het ermee eens dat de mogelijkheid tot platforms er zijn door de opkomst van social media, iets dat door de voorpartij meerdere malen is geconstateerd. Echter is de voorpartij er niet op ingegaan of dit heeft geleid tot een rationeel debat. Het bewijs was dus geen warrant voor de stelling. De tegenpartij kwam met de claim dat burgers geen behoefte hebben om social media te gebruiken voor het deelnemen aan het politiek debat, maar dat zij social media vooral zien als een informatiebron. Als bewijs voor hun claim gebruikten zij een onderzoek over Twitter waaruit bleek dat het overgrote deel van de gebruikers van deze social netwerksite geen behoefte hebben aan politieke tweets. Het probleem ligt hier in het feit dat Twitter niet representatief is voor alle social media en dat het hier dus slechts om één soort social media gaat, namelijk Twitter als social netwerksite.

Ook werden tijdens het debat de burger en politiek als twee losse partijen tegenover elkaar gezet. Echter moet er wel in het achterhoofd worden gehouden dat de politiek in feite een vertegenwoordiging van de burgers is aangezien zij de politiek hebben gekozen. Deze dichotomie moet dus worden genuanceerd.

Het debat was duidelijk gestructureerd en er werd gewerkt met verschillende rondes met tijdslimiet waarbij beide partijen hun standpunten aan het publiek en aan elkaar konden introduceren. Daarnaast was er tijdens de ‘cross examination’ ruimte voor een debat, zonder tijdslimiet. Een minpuntje was dat sommige deelnemers zelf de beurt namen en hier schoot de voorzitter tekort. De voorzitter had iets pro actiever kunnen optreden om echt de leiding van het debat te pakken. Kijkend naar de andere deelnemers, was Naema Lewory soms haar verhaal kwijt en kwam daardoor hakkelig over. Echter werd zij steeds zelfverzekerder naarmate het debat vorderde. Nina van Kalker kwam tijdens haar inleiding ook wat zenuwachtig over, daarnaast voelde zij zich soms persoonlijk aangevallen wat niet het geval was. Wel vond ik Nina sterk in haar argumenten. Maarten van Ast kwam duidelijk, standvastig en retorisch goed over en gebruikte humor. Echter viel hij in de herhaling met zijn argumenten. Dat laatste geldt ook voor Rik van Ooijen. Zijn inleiding was duidelijk, echter was hij tijdens het debat ietwat passief. Over het algemeen vond ik de tegenpartij de sterkere partij.

Het debat was erg interessant en leerzaam. Het is duidelijk dat een goede stelling een debat kan maken of kraken en dat de rol van de voorzitter noodzakelijk is om het debat in goede banen te leiden.


vrijdag 22 oktober 2010

Mediabericht - "Frankrijk wil 'three-strikes-out' op Europees niveau"


‘Three strikes out’ ook in Nederland?

In het licht van internet en auteursrecht is het debat rondom het zogenaamde ‘three strikes out’ beleid van Frankrijk erg interessant en actueel. De zogenaamde 'Three-strikes-out'-aanpak houdt in dat consumenten na drie waarschuwingen worden afgesloten van internet als ze illegaal blijven downloaden. Deze wet is in Frankrijk inmiddels van kracht.

Nu las ik op www.nu.nl een artikel [i] dat Frankrijk pleit voor invoering van deze omstreden wet in andere Europese landen, waaronder Nederland. Echter ziet het demissionaire kabinet niets in deze harde maatregel en is het voorstel verworpen en zijn ook andere partijen het niet eens met deze aanpak. Zo heeft Ot van Daalen, directeur van digitale burgerrechtenorganisatie Bits of Freedom, een brief op gesteld naar Uri Rosenthal, minister van Buitenlandse Zaken voor Nederland, waarin hij o.a. het volgende zegt: “Het moge duidelijk zijn dat een maatregel die tot gevolg heeft dat honderdduizenden mensen zonder tussenkomst van een rechter mogelijk van internet worden afgesloten, in flagrante strijd is met internetvrijheid, in het bijzonder met het grondrecht op communicatievrijheid en het grondrecht op privacy.”1

Toch blijft het bestrijden van piraterij hoog op de agenda staan van zowel de Nederlandse overheid als het Europees Parlement. Zo bestaat er namelijk het ACTA verdrag tussen onder andere de Europese Unie en de Verenigde Staten dat inbreuken op intellectueel eigendom moet tegengaan.  Echter gaat het aanpakken van de individuele gebruiker, zoals bij het three-strikes-out beleid in Frankrijk, Nederland te ver en hebben de Europese lidstaten straks zelf te vrijheid om te bepalen hoe het ACTA verdrag zal worden geïmplementeerd.

In Engeland wordt daar, net als Frankrijk, anders over gedacht. Het Britse parlement heeft daar met grote meerderheid ingestemd met de three-strikes-out aanpak die het illegaal delen van bestanden op internet moet tegen gaan.

Tegenstanders van deze aanpak pleiten voor aanpak vanuit de industrie. Ook Stichting Brein (Bescherming Rechten Entertainment Industrie Nederland), beschermer van het auteursrecht in Nederland, wenden zich niet tot de aanpak van de consument zoals bij de three-strikes-out aanpak gebeurt, maar focussen zich juist op de tussenpersoon. Met deze tussenpersonen worde de eigenaars of beheerders van servers of sites met illegaal aanbod bedoeld. Deze tussenpersonen spelen een belangrijke rol in het faciliteren van het gebruik van andermans content zonder dat de makers daar (financieel) iets van terug zien. Volgens o.a. Stichting Brein richt effectieve handhaving zich dus met name op illegale tussenpersonen die consumenten toegang verlenen tot illegale content. Dergelijke tussenpersonen worden door Stichting Brein gestopt door middel van juridische maatregelen. De benadering van inbreukmakende consumenten kan in de eerste plaats door middel van voorlichting.


Bronnen:


[i] C. van Hoek. 22 oktober 2010. “Frankrijk wil 'three-strikes-out' op Europees niveau”
(Laatst bekeken 23-10-2010)

C. Heijmans. 16 maart 2010. “Geen 'three-strikes-out' in Nederland”
(Laatst bekeken 23-10-2010)

K. Storm. 9 april 2010. “Brits Lagerhuis stemt voor 'three-strikes-out'-aanpak”
(Laatst bekeken 23-10-2010)

(Laatst bekeken 23-10-2010)



donderdag 21 oktober 2010

Hoorcollege 4 - Jeroen Steeman


“Yes We (also) Can”

Door de veranderingen en wisselwerking op het vlak van communicatie en machtsverhoudingen, lijkt de publieke sfeer van een institutionele domein naar een nieuw online domein te zijn verschoven. En dit heeft gevolgen voor de politiek in relatie tot de burger. Volgens het artikel “Communication, Power and Counter-power in the Network Society” (2007) van M. Castells [i], is politiek gebaseerd op gesocialiseerde communicatie met als doel de gedachten van de burgers te beïnvloeden. Nieuwe media geven de politiek nieuwe manieren om communicatie te kanaliseren en dus macht uit te oefenen. Echter ligt de macht niet in de handen van de media. Zo geeft ook Castells aan in zijn artikel: “The media are not the holders of power, but they constitute by and large the space where power is decided. In our society, politics is dependent on media politics.”

Ten grondslag aan de veranderingen op het vlak van communicatie tussen machtsinstituten en burgers ligt de opkomst van internet, zoals ook Castells onderschrijft. Volgens Jeroen Steeman, gastspreker tijdens het hoorcollege op 21 oktober 2010 en communicatiemedewerker internet  voor GroenLinks Europa, heeft iedereen door het internet een potentieel miljoenenpubliek. Politici gebruiken online media om een groot publiek te bereiken in tegenstelling tot ‘vroeger’ toen zij afhankelijk waren van de media en journalisten. Nieuwe media bieden nieuwe mogelijkheden voor de politiek, de communicatie tussen burger en politiek en de publieke sfeer. Maar ook Steeman geeft aan dat de macht niet in de handen van de media liggen. Volgens Steeman heeft de politiek de media niet meer nodig aangezien het communicatieproces daaromheen kan verlopen. Dan hebben we het niet alleen over het communicatieproces tussen burgers en politici maar ook tussen burgers en journalisten. Er lijkt niet langer  sprake te zijn van een top-down communicatie.

In het artikel van Castells wordt verder aangegeven dat geloofwaardigheid, vertrouwen en karakter van politici steeds meer invloed krijgen op de politieke uitkomst [ii]. In dat opzicht is de vernietiging van deze geloofwaardigheid, goede reputatie en karakter van politici uitgegroeid tot het meest krachtige politieke wapen. Uit meerdere onderzoeken [iii] blijkt ook dat mediapolitiek leidt tot schandaalpolitiek waarbij het gaat om het vinden van schadelijke informatie over de tegenstander, het manipuleren van informatie of gewoon het fabriceren van schadelijke informatie voor dat doel. Ook Jeroen Steeman stond tijdens het hoorcollege bij deze ontwikkeling stil. Daarnaast gaf hij aan dat schandaalpolitiek op zijn beurt weer leidt tot een deuk in het vertrouwen in de politiek. Dit gegeven blijkt ook uit het European Trusted Brands onderzoek (2009) van uitgeverij Reader’s Digest [iv].

Nu politici de media gebruiken om het grote publiek te gebruiken, maken de burgers ook zelf gebruik van de media om nieuws te maken en te participeren in het publieke debat. De burgers hebben middels het internet een podium tot hun beschikking om zelf aan het publieke domein bij te dragen. Castells noemt dit: ‘mass self-communication’. De burgers maken zich deze nieuwe vormen van communicatie eigen en bouwen hun eigen systeem van massa communicatie via SMS, blogs, vlogs, podcasts, wikis etc.  De door Castells beschreven counter-power (tegenmacht) maakt ook gebruik van mass self-communication om macht uit te oefenen. Zo geeft Castells in zijn artikel het volgende aan: “The emergence of mass self-communication offers an extraordinary medium for social movements and rebellious individuals to build their autonomy and confront the institutions of society in their own terms and around their own projects.” Dus waar ‘vroeger’ middelen zoals demonstraties, protesten en handtekeningenacties werden ingezet door de counter-power, zijn deze middelen nu verplaatst naar het internet. Te denken valt aan online petities.

Het communicatieproces tussen burger en politiek lijkt volgens Castells en Steeman sterk te zijn veranderd. Burgers hebben middels nieuwe media platforms om te participeren in het publieke debat. Steeman maakt de vergelijking met de publieke sfeer van Habermas, namelijk een publieke sfeer waarin burgers bijeen komen om tot een gezamenlijk punt te komen, publieke consensus. Volgens Steeman zorgt het internet voor een nieuwe vlucht van de publieke sfeer aangezien iedereen in de discussie kan meedoen. Nu blijft hier natuurlijk de vraag; gebeurd dit ook op een efficiëntere manier. Steeman gaf zelf een voorbeeld waarin hij zijn eigen stelling onderuit haalt. Namelijk het weblog van Femke Halsema. Deze ston in eerste instantie open voor publieke reacties maar door een teveel aan negatieve reacties, die niets bijdroegen aan het publieke debat, moest de weblog worden dichtgegooid. Zo te zien kleven er ook nadelen aan het open communicatieproces tussen politiek en publiek.

Ook als je kijkt naar de inzet van nieuwe media en om specifiek te zijn social media, door politici, blijft de vraag of het middel zijn doel, namelijk de burger, bereikt. Zo blijkt uit een onderzoek van NOS Net tijdens de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen in februari 2010 [v] dat lokale partijen volop inzetten op social media, zoals Twitter. Lokale politici vragen zich echter af of ze grote groepen kiezers bereiken met sociale netwerken. "Ik merk persoonlijk dat Twitter voornamelijk wordt gebruikt door politici, media en bedrijven, minder door de 'burger'," aldus Patricia Wevelkate-Hertgers van de PvdA in Doesburg. Steeman gaf tijdens het hoorcollege aan dat GroenLinks Twitter zowel gebruikt als marketing tool als een tool voor het publieke debat, dus om te laten zien dat de partij daar aanwezig is. Maar als antwoord op een vraag uit de zaal hoe het succes hiervan precies gemeten en hoe GroenLinks weet wat de inzet van social media oplevert, geeft Steeman het volgende antwoord: ‘Niet, want dat valt eigenlijk niet te meten’. Groot voordeel van de sociale media is in elk geval dat ze goed worden gevolgd door de lokale pers. Dit blijft nou eenmaal van cruciaal  belang tijdens een campagne waarin je veel kiezers wilt bereiken, zo geven bijna alle partijen in het onderzoek van NOS aan.

In het Artikel “Twitteren om te twitteren? Nederlandse politiek en social media” (2010) [vi] geeft de schrijver Jasper van Gils de volgende mening hierover: “Om de inzet van sociale media te doen slagen, is er meer nodig dan enkel linkjes naar het Twitter, Hyves en Facebook profiel van de lijsttrekker. Twitteren om te twitteren heeft geen enkele zin.”
De verkiezingscampagne van Obama is een succesverhaal met betrekking tot de inzet van nieuwe media in de politiek. Een politieke partij wordt hier als merk neergezet die zich onderscheid van de rest. Obama had een duidelijke boodschap: “Yes We Can”, die hij via verschillende nieuwe media kanalen aan zoveel mogelijk mensen communiceerde die vervolgens ook echt iets met die boodschap zijn gaan doen. Een succesverhaal voor Obama en wellicht een les voor de Nederlandse politiek.


Bronnen:


[i] M. Castells. 2007. “Communication, Power and Counter-power in the Network Society”
(Laatst bekeken op 23-10-2010)

[ii] G. Lakoff. 2006. “Thinking points. Communicating our American values and vision” New York: Farrar, Strauss and Giroux.

[iii] Thompson (2000), Tumber en Waisboard (2004), Esser en Hartung (2004), Liebes en Blum-Kulka (2004), Lawrence en Bennett (2001) en Williams en Delli Carpini (2004)

[iv] Binnenlands Bestuurd. 2009. “Vertrouwen in politici naar dieptepunt”
(Laatst bekeken op 23-10-2010)

[v] NOS. 2010. “Twitter en YouTube niet weg te denken bij verkiezingscampagne”
(Laatst bekeken op 23-10-2010)

[vi] J. van Gils. 2010. “Twitteren om te twitteren? Nederlandse politiek en social media”
(Laatst bekeken op 23-10-2010)

maandag 18 oktober 2010

Werkcollege 4 - Individueel debatverslag









Ter evaluatie van het debat gevoerd op 18-10-2010 heb ik een individueel debatverslag opgesteld waarin ik inga op de voorbereiding, samenwerking, structuur en het verloop van het debat en de ontvangen feedback van medestudenten en de docente. Ik zal eindigen met een evaluatie van mijn eigen rol binnen het debat.

Voorbereiding
Onze stelling moest worden opgesteld rondom het thema ‘ journalistiek en nieuwe media’.  Daarnaast konden we het gastcollege van Bert Brussen, gerenommeerd blogger op de website www.Geenstijl.nl (bekende Nederlandse weblog opgericht in 2003) en de verschillende artikelen als inspiratie voor onze stelling gebruiken. Ook hadden René en ik al enige voorwerk verricht aangezien onze stelling in het één op één debat al was gericht op de burgerjournalistiek en specifiek op de journalistieke code.
Binnen onze debatgroep waren we het eens dat de stelling over burgerjournalistiek zou moeten gaan. Daarnaast wilden wij debatteren over de kwaliteit van burgerjournalistiek en de eventuele meerwaarde hiervan. Toch vonden we het lastig om over de ‘kwaliteit’ de debatteren, aangezien dit een vaag begrip is. Daarom hebben we geprobeerd om de huidige tegenstelling tussen de burgerjournalistiek en beroepsjournalistiek te concretiseren, wat uiteindelijk heeft geresulteerd in de volgende stelling:

‘Journalistiek  als professionele beroepsgroep moet veranderen
naar een open praktijk’

De groepen zijn op natuurlijk wijze samengesteld; de voorpartij was ook daadwerkelijk voor de stelling en de tegenpartij was uit zichzelf tegen de stelling. Samen met René Naus zou ik de bovengenoemde stelling verdedigen. De samenwerking rondom het opstellen van de stelling en de voorbereiding op het debat verliep goed. Na bronnenonderzoek en het opstellen van de argumentatie hebben wij de argumentatie, geformuleerd in grote lijnen, uitgewisseld. Het doel hiervan was het controleren of we op één lijn lagen wat betreft de stelling zodat er tijdens het debat niet langs elkaar gesproken werd.

Structuur
Vervolgens hebben we nagedacht over de structuur van het debat. Wij wilden vooral een gestructureerde opbouw, omdat een debat in praktijk vaak minder gestructureerd loopt. Uiteindelijk hebben we gezamenlijk gekozen voor een structuur waarin is gewerkt met spreektijd. In de eerste rondes hadden zowel de voor- als tegenpartij drie minuten de tijd om hun algemene visie op de stelling te geven met daarin de belangrijkste argumentatie verwerkt. In de tweede ronde hadden beide partijen twee keer drie minuten de tijd om de argumenten van de ander te weerleggen, oftewel om met elkaar in debat te gaan. In praktijk is deze spreektijd niet gehanteerd omdat er vooral in snel tempo werd gereageerd op elkaars argumenten. Spreektijd zou deze spontane manier van debatteren hebbe beperkt. Daarnaast hebben we afgesproken dat de sprekers zouden gaan staan om aan het woord te komen, onder andere om te voorkomen dat de sprekers niet door elkaar zouden praten. Dit werkte in mijn opzicht goed.

Het was voor ons ook belangrijk om tijdens het debat interactiviteit met het publiek te creëren. Dit wilden wij bewerkstelligen door tussendoor te vragen naar de mening van het publiek over de stelling. In praktijk reageerden maar weinig mensen op deze vraag. Gelukkig ontstond er op een gegeven moment wel een interessante groepsdiscussie, waarbij het publiek met interessante opmerkingen en vragen richting de sprekers kwam. In de laatste minuut zou eigenlijk een conclusie worden gegeven door beide partijen. Helaas bleef deze conclusie achterwege, mede dankzij de spontane groepsdiscussie, wat natuurlijk ook erg interessant was. Wel heeft de voorzitter een samenvatting gegeven van de belangrijkste argumenten voor en tegen de stelling.
Kortom, tijdens het debat is er afgeweken van de vooraf besproken opbouw en structuur. Toch vond ik het een redelijk gestructureerd debat met heldere uiteenzetting van argumenten.

Samenwerking / rolverdeling
De samenwerking tussen mijzelf en René Naus is naar mijn mening vlekkeloos verlopen. We hebben beide evenveel tijd en moeite in de voorbereiding van het debat en onze argumenten gestoken. Daarnaast lagen we op één lijn en dat maakte de samenwerking nog makkelijker. Naar mijn idee hebben ook alle andere leden van deze debatgroep evenveel moeite en tijd in de voorbereiding van het debat gestoken.  De voorzitter, Ludwine Dekker, nam het voortouw tijdens de voorbereiding, wat erg fijn was.

Tijdens het debat was er een natuurlijke rolverdeling aan te wijzen. Zo waren ikzelf mijn partner René Naus en Roos Vermeulen van de tegenpartij wat vaker aan het woord dan de rest. Helaas was Max Laane iets passiever en kwam Mariana Kniveton naar het einde van het debat toe, steeds vaker aan het woord. Ludwine heeft haar rol als voorzitter in mijn opzicht goed vertolkt maar wellicht had ze vaker naar bronnen kunnen vragen en ervoor kunnen zorgen dat sommige mensen meer aan het woord kwamen. In de groepsdiscussie kwam zij als voorzitter beter uit de verf.

Inhoudelijk verloop van het debat
De valkuil bleek in de formulering van de stelling te liggen. Zo komen er een aantal vage termen in voor, namelijk: ‘journalistiek’, ‘burgerjournalistiek’ en ‘open praktijk’.  Deze begrippen laten zich moeilijk definiëren en kunnen op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Daarom heeft de voorzitter, Ludwine, gezorgd voor een duidelijke afbakening van begrippen. Toch blijft het bij dit soort vage terminologie moeilijk om altijd op één lijn te zitten. Daarnaast is het debat voor het publiek moeilijker te volgen. Een ander heikel punt in de stelling, ook door het publiek beaamd, is het feit dat de journalistiek al (op weg naar) een open praktijk is. Dit was dan ook onderdeel van één van de belangrijkste argumenten vóór de stelling, namelijk: het heeft geen zin om deze ontwikkeling tegen te gaan, dus is het zinvoller om door samenwerking tussen de burgerjournalistiek enerzijds en beroepsjournalistiek anderzijds, deze ontwikkeling in goede banen te leiden. Tijdens de voorbereiding zijn wij echter ook tegen dit probleem aangelopen en daarom is toen het volgende afgesproken: het is aan de voorpartij om aan te tonen dat deze ontwikkeling moet worden doorgezet en het is aan de tegenpartij om aan te tonen dat deze ontwikkeling niet wenselijk is en dus zoveel mogelijk beperkt moet worden. Uiteindelijk leek het debat uiteindelijk meer te gaan over hoe die open praktijk eruit zou moeten zien en niet of hij er moet komen wel of niet. Het was moeilijk om tot de kern van de stelling te komen en de knelpunten weer te geven.
Helaas is het bij beide partijen niet gelukt om alle argumenten te onderbouwen met bronnen, hoewel de tegenpartij hier iets zorgvuldiger mee om ging dan de voorpartij. Daarnaast bleek dat beide partijen niet lijnrecht tegenover elkaar stonden. Zo bleken we  het beide eens te zijn over de toegevoegde waarde van burgerjournalistiek binnen de  huidige traditionele journalistiek. Voor mijn gevoel was daarom vooral de argumentatielijn van de tegenpartij niet helemaal helder.

Feedback debat
Naar mijn mening voldeed het debat over het algemeen aan de grondregels van een goed debat maar waren er ook een aantal punten van kritiek.  Daar waren de medestudenten en de docente het ook mee eens. Bij deze een opsomming van de feedback, die soms al ter sprake is gekomen in dit verslag:

-       Vaag termgebruik, begrippen werden wel verduidelijkt maar toch is het moeilijk voor het publiek om het debat te blijven volgen. Tip: belangrijkste definities geprojecteerd.
-       De essentie van journalistiek zelf bleef vaag. Dit werd teveel buiten beschouwing gelaten.
-       Er werd afgeweken van de stelling, het debat ging uiteindelijk over hoe die open praktijk eruit moet zien en niet of hij er moet zijn. Wellicht had de stelling beter kunnen gaan over het feit of die ontwikkeling van de journalistiek naar een open praktijk wenselijk is of niet. In plaats van het debatteren over de stelling alsof deze ontwikkeling nog in gang moet worden gezet.
-       De partijen stonden niet lijnrecht tegenover elkaar.
-       Burgerjournalistiek werd gelijk gesteld aan social media, alsof deze alleen kan bestaan bij de gratie van nieuwe media.
-       Gebruik en introductie van bronnen liet te wensen over. Door een strakke voorbereiding kan je ervoor zorgen dat je deze argumenten, onderbouwd met bronnen, beter op een rij hebt.
-       Het woord werd in het algemeen niet naar het publiek gericht maar naar de opponent.
-       De sprekers moeten hun tijd en ruimte pakken om hun argumentatie helder uiteen te zetten.
-       De voorzitter kon alerter optreden.
-       Het was onduidelijk waar het knelpunt precies lag.
-       Meer praktische voorbeelden geven ter ondersteuning van argumentatie.

De gegeven feedback was opbouwend en terecht. Voor mij is het ook duidelijk hoe dit de volgende keer verbeterd of voorkomen moet worden.

Eigen positie in het debat
Binnen het debat was ik één van de twee voorstanders van de stelling.  Aangezien ik mezelf tijdens het één op één debat ook al had opgesteld als voorstander van burgerjournalistiek, was het voor mij logisch dat ik vóór deze stelling zou zijn. Ik denk dat ik mijn rol als voorstander van een open praktijk binnen de journalistiek goed vertaald heb maar dat er een aantal dingen beter konden. Waar ik zelf tegenop liep was het vinden van de juiste argumentatie, deze onderbouwen met de juiste bronnen en tegelijkertijd de argumenten van de tegenstander weerleggen. Op papier is er een duidelijke argumentatiestructuur aanwezig, maar in de praktijk blijkt de grootste uitdaging te liggen in het vinden van de juiste argumentatielijn.  Als gevolg liet het brongebruik te wensen over en heb ik niet al mijn argumenten (logisch) kunnen inzetten. Aan de andere kant was mijn inleiding met onze algemene visie op de stelling in mijn ogen een succes. Ook ben ik naar mijn mening voldoende actief geweest in het verdedigen van de stelling.

Gelukkig heb ik ook persoonlijke feedback op mijn rol in het debat ontvangen van de docente. Zo maakte ik tijdens het debat gebruik van retoriek, had ik goede overtuigingskracht en kwam ik zelfverzekerd en wel besproken over. Daarnaast richtte ik me tot het publiek en gebruikte ik lichaamstaal om mijn argumenten kracht bij te zetten. Ook was er opbouwende kritiek gegeven. De docente gaf aan dat het gebruik van voorbeelden of metaforen om argumenten te illustreren goed is maar dat de tegenpartij dit ook tegen mij kan gebruiken en dat ik me er dus goed in mijn verdiepen om dit te voorkomen. In het debat gebruikte ik namelijk Wikipdia als voorbeeld van burgerjournalistiek die van betere kwaliteit had kunnen zijn wanneer de professionele encyclopedieën de ontwikkeling van Wikipedia hadden begeleidt. De tegenpartij bracht een aspect van Wikipedia naar voren, namelijk het gebruik van moderators, wat voor mij onbekend was. Hier moet ik letten op taalgebruik, dus nooit zeggen: ‘Dat wist ik niet’.  Dit gaat ten koste van mijn geloofwaardigheid. Ook was het argument, gekoppeld aan dit voorbeeld, helaas niet onderbouwd met een bron. 

Concluderend ben ik tevreden met de vertolking van mijn rol binnen dit debat en kijk ik terug op een redelijk gestructureerd debat met interessante interactie tussen het publiek en de sprekers. Inhoudelijk had het debat sterker kunnen zijn, onder andere als gevolg van vage termen en een stelling die niet honderd procent waterdicht bleek te zijn.

Werkcollege 4 - Zoekverslag eigen bronnen



Ter voorbereiding van het debat over de stelling ‘journalistiek  als professionele beroepsgroep moet veranderen naar een open praktijk’,  heb ik een bronnenonderzoek uitgevoerd.  Met behulp van onderstaande bronnen heb ik mijn argumenten voor deze stelling opgesteld.

Bron 1
Deuze, M. 2003. “The Web and its Journalisms: Considering the Consequences of Different Types of Newsmedia Online”  New Media Society
http://nms.sagepub.com/content/5/2/203 (Laatst bekeken 17-10-2010)

Dit artikel van Deuze geeft een overzicht van de verschillende type onine nieuwsmedia, hun eigenschappen en de manier waarop deze een meerwaarde kunnen vormen voor de huidige traditionele journalistiek. Dit artikel is relevant omdat het de wrijving tussen de traditionele en online journalistiek weergeeft. Daarnaast gaat Deuze in op het feit dat men moet realiseren dat de rol van het publiek, met de opkomst van de nieuwe vormen van online journalistiek, is veranderd. De journalistiek moet de burger een platform aanbieden en de mogelijkheid geven om meningen en informatie uit te wisselen, om mee te doen aan de discussie.  Ten slotte geeft Deuze aan dat we het dogma ‘wij schrijven, jullie lezen’ niet moeten onderschatten en dat we rekening moeten houden met de impact van deze veranderingen op gevestigde kernwaardes en idealen binnen de traditionele journalistiek.

Bron 2
Oratie M. Chavannes, hoogleraar journalistiek RUG. “iMedia: nieuwe journalistiek, nieuw burgerschap?” 6.2.07

Chavannes beschrijft in dit artikel de ontwikkelingen die de journalistiek heeft ondergaan, de rol van journalistiek in de huidige samenleving en hoe de burger hier een steeds belangrijke rol in gaat spelen. Dit is natuurlijk erg interessant in het kader van onze stelling; moeten we deze ontwikkeling van de journalistiek naar een open praktijk aanmoedigen of (proberen te) beperken. Dit artikel was nuttig bij het samenstellen van mijn argumenten. Zo geeft Chavannes praktijkvoorbeelden van succesvolle burgerjournalistiek, staat hij positief tegenover de blog cultuur en benadrukt hij dat de rol van journalistiek en (professionele) journalisten zal moeten veranderen om deze ontwikkelingen in goede banen te leiden. Ten slotte is hij ook voorstander van de synergie, het creëren van een situatie waarin burgerjournalistiek enerzijds en de beroepsjournalistiek anderzijds elkaar aanvullen en waarderen.

Bron 3
A. Hermida. 2010. “From TV to Twitter: How Ambient News Became Ambient Journalism”
(Laats bekeken: 17-10-2010)

Hermida beweerd in dit artikel dat Twitter zich heeft ontpopt als een belangrijk medium voor nieuws en informatie over belangrijke gebeurtenissen en dat Twitter deel uitmaakt van een ‘ambient journalism’ die werd geboren door middel van nieuwe digitale technologieën. Hermida stelt het vermogen van de burgers om een actieve rol te spelen in het proces van verzamelen, rapporteren, analyseren en verspreiden van nieuws en informatie. Daarnaast worden er veel praktijkvoorbeelden gegeven van deze vorm van burgerjournalistiek en hoe deze een meerwaarde vormen binnen de journalistiek.

Bron 4
TNS Nipo. 2009. “Onderzoek naar nieuwsgaring Nederlandse jongeren”, in opdracht van NOS.

Dit onderzoek van TNS Nipo verschaft inzicht over het feit dat de burger zich nieuwe informatiebronnen aanwendt en dat dit ten koste gaat van het gebruik van de traditionele media als bron van nieuws. Een waardevolle conclusie uit dit onderzoek was dat tweederde (65%) van de 13- tot 65-jarigen, het internet als belangrijke leverancier van nieuws zien. Tachtig procent denkt in 2029 nieuws van het internet te halen en 72 procent (ook) van tv. De krant gaat meer inleveren: van 59 procent naar 37 procent. Hieruit blijkt dat internet, als broedplaats voor burgerjournalistiek, een steeds grotere rol gaat spelen als bron van nieuws. Hieraan heb ik het argument gekoppeld dat het onmogelijk en onzinnig is om deze ontwikkeling tegen te gaan en dat er in deze context samenwerking tussen de burgerjournalist en beroepsjournalist is verreist.

Bron 5
M. van den Berg, redacteur De Speld. Juli 2010. “De onmogelijke spagaat van de nieuwe media”

Wanneer van den Berg spreekt over de spagaat van de nieuwe media, dan heeft hij het over het tempo van de nieuwsgaring en -verspreiding anno 2010, die veel hoger ligt dan vooreen, als gevolg van de digitale revolutie in de media. Maar dat tegelijkertijd de media wordt afgerekend op dezelfde kwaliteitseisen als voorheen. Ik heb dit artikel gebruikt om te illustreren hoe in deze context een samenwerking tussen de professionele journalist enerzijds en de burgerjournalist anderzijds, leidt tot een beter resultaat. En dat de één een aanvulling kan vormen op de ander wanneer we spreken van een open praktijk. Het toenemen van de kwantiteit en snelheid waarop nieuwsgaring en verspreiding plaatsvindt door het inzetten van de burger als verslaggever en het gebruik van online media zoals Twitter enerzijds en de kwaliteit door verdieping en onderzoekskant van de journalistiek anderzijds.

Bron 6
C. Meijer en J. Arendsen. Juli 2010. “Succesvolle participatieve journalistiek faciliteren in plaats van reguleren”

Dit artikel steunt onze visie dat burgerjournalistiek, hier soms participatieve journalistiek genoemd, moet worden gefaciliteerd in plaats van gereguleerd. Ook geeft het artikel aan dat het belangrijk is dat beide groepen faciliteren en dat is precies waar ook wij als voorstanders van de stelling voor pleiten in een open praktijk.  Daarnaast wordt er ook ingegaan op de kansen en problemen die burgerjournalistiek met zich meebrengt, wat natuurlijk interessant is in het licht van het debat.

Bron 7
D Gillmor. 2004 ‘We the Media. Grasroots Journalism by the People for the People’ Sebastopol, CA.: O’Reilly.

Gillmor he`eft het in zijn boek over de verschuiving van de manier waarop wij nieuws maken en consumeren en de manier waarop het nieuws veranderd van een lectuur naar een gesprek. Vooral dit laatste heb ik kunnen gebruiken in mijn argumentatie. Door van de journalistiek een open praktijk te maken, zal de burger een actievere rol kunnen innemen in het communicatieproces en wordt de mogelijkheid geboden om ergens een mening over te hebben.

Bron 8
G.J. Bogaerts. September 2009. “Burgerjournalist”

Deze website betreft een forum waarop antwoord wordt gegeven op de vraag: is er een rol voor burgerjournalistiek, of is dit fenomeen altijd zwaar overschat geweest? De verschillende reacties op deze vraag heb ik gebruikt in de voorbereiding van het debat. Het is nuttig en interessant om te kijken hoe verschillende mensen een mening hebben over burgerjournalistiek en waar precies de meerwaarde ligt volgens hen.

Bron 9
Dialogic. April 2010. “Breedband en de Gebruiker V. Wat doet en wil de Nederlandse internetter anno 2010?”
(Laatst bekeken 17-10-2010)

Deze bron betreft een onderzoek in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Stimuleringsfonds voor de Pers en UPC Nederland. Het onderzoek verschaft inzicht over wat de internetter anno 2010 beweegt, wat hem of haar interesseert en waar hij of zij te vinden is. Wat specifiek van belang was in het licht van het debat, zijn de vragen die zijn voorgelegd rondom de perceptie ten aanzien van nieuws dat door ‘gewone burgers’ wordt opgesteld en online wordt geplaatst. Op de stelling in hoeverre men op internet professionele journalistiek betrouwbaarder vindt dan burgerjournalistiek  vindt 32% van de respondenten burgerjournalistiek qua betrouwbaarheid(minstens) gelijkwaardig. Daarnaast blijkt ook dat de respondenten steeds positiever staat ten aanzien van de betrouwbaarheid van burgerjournalistiek: in 2007 vond 54% dit ongelijkwaardig, in 2010 schat slechts 30% nieuws van de gewone burger minder betrouwbaar in dan dat van een professionele redactie. Dit betekent dus dat men burgerjournalistiek als een betrouwbare bron accepteren, of dit terecht is of niet daar valt dan nog over te twisten en dat is dan ook gebeurd tijdens het debat.

Bron 10
J. Mirck. Augustus 2009. “Citizen Journalism bepaalt journalistieke agenda”

Dit artikel geeft de visie van de schrijver over ‘Citizen Journalism’, oftewel burgerjournalistiek weer.  Zijn mening sloot naadloos aan op mijn visie, namelijk dat het er in deze discussie niet om gaat of alle producten van burgerjournalistiek journalistiek van aard zijn. Dat zijn ze niet. Wel hebben ze invloed en dragen ze bij aan nieuwsgaring en- verspreiding en zijn dus in dat opzicht zonder meer relevant in het medialandschap.