Tegenwoordig hebben veel mensen een account op Facebook, maar wat doen we eigenlijk echt op Facebook? Korte documentaire van de Nederlandse Film en Televisie academie waarbij Facebook op een interessante manier in een ander licht wordt gezet.
Dit logboek maakt deel uit van de cursus "Nieuwe Media in het Actuele Debat" gegeven aan de Universiteit van Utrecht.
vrijdag 5 november 2010
Eindevaluatie cursus
Evaluatie cursus ‘Nieuwe
Media in het Actuele Debat’
Na acht weken van intensief debatteren en talloze interessante werk- en hoorcolleges is ook deze cursus tot een eind gekomen. Op 4 november vond hetgeen plaats waar we de afgelopen weken eigenlijk naar toe hebben gewerkt: het einddebat. Gedurende deze cursus hebben sommigen van ons zich ontpopt tot ware debatanten of volwaardige voorzitters en tijdens het einddebat kregen we voor de laatste keer de kans om onze verworven debatervaardigheden in de strijd te zetten.
Het einddebat bestond uit verschillende rondes waarbij de winnaars
van elke ronde het tegen elkaar moesten opnemen. Ikzelf was voorzitter en kan
met trots vermelden dat ik alle rondes heb gewonnen en uiteindelijk tot
‘oppervoorzitter’ ben bekroond. Een ware mijlpaal in mijn studiecarrière mag ik
wel zeggen! De debatgroep opgesteld uit onze eigen werkgroep heeft het tot de
kwartfinales geschopt. De stellingen waarover gedebatteerd werd zijn gedurende
de cursus allemaal al een keer aan bod gekomen. Ook in dat opzicht was het
einddebat een geheugen opfrisser van wat wij de afgelopen weken allemaal
geleerd hebben. Naast dat het erg leerzaam was vond ik het einddebat vooral ook
erg leuk.
Dezelfde conclusie geldt eigenlijk voor de gehele cursus
Nieuwe Media in het Actuele Debat. Kijkend naar mijn achtergrondopleiding (Hoge
Hotelschool), kan ik zeggen dat ik qua algemene kennis over nieuwe media toch
wel achterloop op de meeste van mijn medestudenten. Deze cursus heeft voor mij
een licht geworpen over de verschillende actuele discussies rondom nieuwe media
en de digitale cultuur. Te denken valt aan nieuwe media in relatie tot games,
auteursrecht, politiek, privacy etc.
De opbouw van de gehele cursus vond ik er fijn. Zo werd er
duidelijk gewerkt rondom bepaalde thema’s die werden ingeleid door een
hoorcollege en een gastspreker. In de werkcolleges werd de verworven kennis uit
het hoorcollege en de lesstof van die week in praktijk gebracht door de
debatgroep. Er kwam natuurlijk ook de nodige zelfstudie aan te pas, waarbij ik
me goed kon verdiepen in de verschillende onderwerpen die aan bod kwamen.
Uiteindelijk werden alle standpunten en bijbehorende argumentatie rondom een
onderwerp op een rijtje gezet. Zo merkte ik dat ik veel vooroordelen had over
bepaalde zaken, die ik na het hoor- of werkcollege toch moest herzien. Het
afwegen van verschillende standpunten heeft ervoor gezorgd dat ik mezelf kan
situeren binnen een bepaald debat of vraagstuk over nieuwe media in relatie tot
andere zaken.
Zowel het voorbereiden op discussies, het lezen van de
opgegeven literatuur als het bijhouden van mijn ontwikkeling middels een
logboek, vond ik een erg prettige manier van leren. Ik heb mezelf tijdens de
cursus op verschillende vlakken ontwikkeld. Zo heb ik naast
debatteervaardigheden ook aan mijn communicatievaardigheden en organisatorische
vaardigheden kunnen werken. Door middel van het logboek heb ik geleerd hoe ik
correct academische teksten moet schrijven.
Natuurlijk is er altijd ruimte voor verbetering. Zo vond ik
jammer dat het gehele werkcollege aan een debat werd gewijd, waarbij slechts één
aspect uit het thema van die week werd belicht. Op de manier was er weinig tijd
om, buiten het debat om, met elkaar te praten of discussiëren over de
verschillende thema’s. Daarnaast waren ook niet alle gastsprekers even sterk en
moest je soms zoeken naar de juiste boodschap door het stellen van de juiste
vragen, waar gelukkig wel ruimte voor werd gecreëerd.
Al met al kan ik concluderen dat de cursus Nieuwe Media in
het Actuele Debat een succesvolle, leerzame en ook leuke cursus was aan het
begin van mijn opleiding aan de Universiteit van Utrecht.
woensdag 3 november 2010
Commentaar blog Marieke Pots
Het is de bedoeling dat we als
studenten binnen de cursus feedback op elkaars werk leveren. Bij deze geef ik
commentaar op het logboek van Marieke Pots, blog url: http://w1pots.blogspot.com
Inhoud
In de weekverslagen worden de
hoorcolleges en de bijbehorende artikels besproken. Alle verslagen bevatten een
inleiding tot het hoorcollege en het thema van de desbetreffende week. Ook
wordt het thema vanuit verschillende uitgangspunten benaderd, waarbij er
bijvoorbeeld ook onderzoeken worden gebruikt ter ondersteuning van bepaalde
argumentatie. Toch wordt er voornamelijk ingegaan op de hoorcolleges in relatie
tot de bijbehorende artikelen.
De nieuwsberichten zijn
interessant en halen ook recent gedane onderzoeken aan. Je zou eventueel andere
(tegengestelde )standpunten omtrent het besproken onderwerp kunnen weergeven.
Wel is het duidelijk waarom een bepaald nieuwsbericht relevant is binnen deze
cursus. Wat me verder opvalt is dat je binnen het uiteengezette debat en de
nieuwsberichten vaak een duidelijke stelling inneemt. Echter gaat het er hier
vooral om het uiteenzetten van de verschillende standpunten binnen het actuele
debat en niet zozeer het weergeven van je eigen mening.
De evaluaties van de debatten
zijn duidelijk. Je geeft om een mooie manier de sterktes en zwaktes van het
debat weer en gaat in op de individuele sprekers. Ik mis soms de evaluatie
rondom de inhoud van het debat, wat bijvoorbeeld in de laatste evaluatie van
week 5 wel is gedaan.
Opbouw
Je artikelen zijn goed opgebouwd,
ze bevatten een inleiding waardoor het verhaal ook voor derden duidelijk is.
Daarnaast sluit je de artikelen op mooie manier af, ofwel met een conclusie of
met het geven van je eigen mening. Alineagebruik maakt de inhoud
overzichtelijk. Daarnaast vind ik het overzicht in categorieën, naast het
blogarchief, erg fijn werken. Je houdt de tijdslijn van de cursus aan en je kan
de artikelen dus zowel op tijd als categorie / thema terugvinden.
Schrijfstijl
Je schrijfstijl is wat mij
betreft helder en duidelijk. Ik zou het ook als ‘formeel’ of zakelijk kunnen
omschrijven, omdat er bijvoorbeeld geen humor wordt gebruikt. Daarnaast is je
schrijfstijl niet poëtisch maar juist direct; je zegt waar het op staat. Je
gebruikt vaak de uitdrukking ‘al met al’. Wellicht zou je de verschillende
personen kunnen citeren om wat afwisseling in schrijfstijl in te brengen. Je
gebruikt ook geen voetnoten in je teksten.
Vormgeving
De vormgeving van de blog is
prettig. Je gebruikt soms afbeeldingen om het geheel wat op te leuken. De witte
kop is pakkend. Misschien kan je wat meer kleur gebruiken in de koppen om
aandacht te trekken.
Bronnen
Het brongebruik is prima. Binnen
je weekverslagen maak je gebruik van zowel de verplichte als niet verplichte
bronnen. Soms heb je ook gebruik gemaakt van andere bronnen, wellicht zou je
dit meer kunnen doen om tot andere inzichten te komen. Het viel mij op dat je
in het weekverslag van week 3 een bron vermeldt in je verhaal die niet
terugkomt in de bronvermelding namelijk een recent onderzoek (Vier in Balans
Monitor) van Kennisnet.
Mediabericht - "2027: RIP Nederlandse kranten (of niet?)"
Kan de krant
definitief bij het oud papier?
Steeds minder vaak pakken de mensen de krant, en ondertussen
speelt internet een steeds grote rol in de journalistieke wereld. Internet lijkt
veel sneller en populairder geworden en bovendien is het nieuws op het internet
gratis te verkrijgen. Mede dankzij gratis online journalistiek heeft de krant
moeite zijn positie te behouden. Zo blijkt ook uit onderzoek van het CBS over
het internet versus de traditionele media [i].
Reden genoeg om vraagtekens bij de toekomst van de traditionele krant te
zetten.
Maar zullen de nieuwe media de traditionele media, zoals de krant, ooit
vervangen?
Volgens futuroloog Ross Dawson moeten we ons niet afvragen óf
internet de gedrukte kranten zal vervangen, maar wanneer. Dit las ik in een
artikel op www.nieuwereporter.nl [ii].
Volgende deze futuroloog zal de laatste krant in 2027 gedrukt worden. Landen
als Denemarken, Noorwegen, Australië en Canada zijn ons dan al voor gegaan. In
de Verenigde Staten is het over zeven jaar zelfs al gedaan met de kranten. In
een zogenaamde ‘Newpaper Extinction Timeline’ geeft Ross Dawson een overzicht
van zijn bevindingen weer [iii]. Hij
onderbouwt zijn voorspellingen door rekening te houden met een aantal factoren
en ontwikkelingen wereldwijd en specifiek binnen elk land. Deze omvatten
wereldwijde invloeden zoals de dalende kosten van mobiele telefoons, tablets en
e-readers, de ontwikkeling van digitale kranten van hoge kwaliteit en trends in
reclame en digitaal nieuws. Onder de nationale invloeden die effect zouden hebben
op de ‘uitsterving van kranten’, vallen onder meer de technologische en
economische ontwikkelingen in elk land.
Desondanks blijft het onduidelijk hoe Dawson op basis van
bovenstaande informatie precies vaststelt in welk jaar de kranten zullen
sterven en wat het doel van zijn voorspelling precies is. Daarnaast blijft de toekomst onzeker en
blijven deze conclusies dus speculaties. Dawson heeft met zijn voorspelling
heel wat controversie aangewakkerd. Van kritiek op het tempo van de
veranderingen tot het afschrijven van zijn voorspelling als complete onzin. Op
zijn eigen weblog geeft Dawson zijn visie en uitleg bij de door hem opgestelde
Newspaper Extinction Timeline. Volgens hem is scenario planning de beste manier
om mensen te helpen begrijpen hoe onzeker de toekomst (van de krant) is en hoe
we ons hier effectief op kunnen voorbereiden. Zo geeft hij zelf aan: ‘However
in more recent years I have found that being more specific helps to focus
people's minds. If they think the forecast may be right, then there is
something very concrete that they have to think through and work out how best
to respond. If they disagree, then they need to think through why they think
the forecast is wrong, helping to crystallize their own thinking.’3 Het gaat er dus niet om of Dawsons
voorspellingen over de uitsterving van de kranten wereldwijd kloppen, het gaat
om de bewustwording van de mensen over het feit dat de klok blijft tikken en
dat we ons moeten voorbereiden op wat de toekomst kan brengen.
Het internet vormt een extra concurrentie voor de kranten,
maar volgens velen betekent dat nog niet het einde van de krant. Zo geeft ook
Bert Brussen tijdens het hoorcollege op 14 oktober aan: ‘De krant kan nu nog
niet verdwijnen, we hebben namelijk te maken met een vergrijsde samenleving.
Mensen zijn papier gewend.’ Het sleutelwoord is hier synergie, dus een situatie
waarin het effect van samenwerking groter is dan elk van de partijen
afzonderlijk zou kunnen bereiken. Zo biedt het internet voordelen op het gebied
van kwantiteit en snelheid waarop nieuwsgaring en verspreiding plaatsvindt. Waar
dit medium juist zeer geschikt is voor zaken die weinig interpretatie behoeven,
zijn er andere soorten nieuws, bijvoorbeeld in de politiek sfeer, die meer
diepgang nodig hebben. Hier is de rol van kranten in onze samenleving nog
steeds aanzienlijk. Kranten bieden namelijk de diepgang en de onderzoekskant
die online media vaak missen.
Titia Ketelar, adjunct-hoofdredacteur van NRC Handelsblad en
chef redactie van nrc.next, zegt het volgende over dit onderwerp: “Als er geen
toekomst zou zijn voor gedrukte kranten, waren wij drie jaar geleden nooit met
nrc.next begonnen. De journalistiek moet zichzelf opnieuw uitvinden. Lezers
zijn niet meer gewend om op een bepaald tijdstip een krant op de mat te vinden.
Ze willen informatie ontvangen van een betrouwbare bron, maar dan wel op hun
eigen manier en op een zelfgekozen tijdstip.” [iv]
Bronnen:
[ii] De Nieuwe
Reporter. 3 november 2010. “2027: RIP
Nederlandse kranten (of niet?)”
(Laatst bekeken 3-11-2010)
[iii] R. Dawson.
31 oktober 2010. “Launch of Newspaper
Extinction Timeline for every country in the world”
(Laatst bekeken 3-11-2010)
maandag 1 november 2010
Werkcollege - Analyse debatgroep 5
Analyse debatgroep 5 – Thema: Politiek en Nieuwe Media 2: Privacy
and surveillance
Het thema van het debat van deze week was
politiek en nieuwe media in relatie tot privacy. De debatgroep heeft over de
volgende stelling gedebatteerd:
“Het centraliseren van de gegevens van ieder individueel kind moet
verboden worden”
De opstelling van dit debat was anders dan
normaal aangezien het een één op één debat was. Daarbij speelde het publiek een
grotere rol dan anders. Weer werd er gebruik gemaakt van een tijdslimiet en
verschillende rondes. De partijen hadden beide vijf minuten voor de
uiteenzetting van hun argumentatie voor en tegen de stelling. In de tweede
ronde werd er gedurende drie minuten ingegaan op elkaars argumenten en
vervolgens zou er een open discussie met het publiek plaatsvinden. Marissa Piso
was voor de stelling en Marieke Pots was tegen de stelling. Bram de Rijk,
deelnemer aan het debat over games en onderwijs, heeft zich opgegeven als
voorzitter voor dit debat.
Bram heeft een duidelijk inleidend verhaal
gegeven waarbij ook de begrippen, opgenomen in de stelling, werden afgebakend.
In vergelijking met voorgaande debatten was de stelling wat mij betreft erg
duidelijk, sterk en ondubbelzinnig. Doordat de stelling zo goed was, leek ook
de argumentatie logisch aan te sluiten op de stelling. Dit maakt het debat een
stuk makkelijker te volgen en ook makkelijker voor het publiek om een stelling
in te nemen. De voorzitter speelde hierbij een belangrijke rol. Hij hield de
sprekers en het publiek bij de kern van de stelling en zorgde ervoor dat er
niet teveel van de stelling werd afgeweken. Wat dat betreft is Bram als
voorzitter verantwoordelijk geweest voor het gestructureerde verloop van het
debat, wat ik erg sterk vond. Ook stelde hij goede vragen en greep in waar
nodig. Hij heeft in mijn ogen de rol van voorzitterschap het beste vervult en
aangezien ik voorzitter zou zijn bij het plenair einddebat, heb ik zijn sterke
optreden als voorzitter als voorbeeld kunnen nemen.
Zowel Marissa als Marieke hebben bijgedragen
aan het succes van het debat door hun sterke argumentatie en weerlegging van
argumenten. Er werd goed naar elkaar geluisterd en op elkaar gereageerd. Marieke
kwam erg rustig en duidelijk over en bleef bij haar standpunten. Marissa leek
iets zenuwachtiger maar erg betrokken bij haar standpunt. Ze praatte soms
ietwat te snel maar toch bleef haar verhaal duidelijk. Beide vielen soms bij
hun argumentatie in de herhaling.
Het debat ging over de voor- en nadelen van
datamining, oftewel het digitaal samenstellen van profielen waarbij problemen
bij kinderen op een vroeg stadium (h)erkend zouden worden. De vraag die hierbij
centraal staat is de volgende: weegt de inlevering van privacy op tegen de
voordelen en het bereiken van het doel. Een onderwerp wat ook centraal stond
tijdens het hoorcollege van Stephan Okhuijsen van Bits of Freedom. In het begin
ging het debat te weinig over de gevaren van algoritmes en profielschetsen,
echter zorgde Bram dat het debat hierop gefocust werd.
Marissa ging vooral in op het feit dat onze
privacy op deze manier wordt geschonden en dat de profielen die op deze manier
geschetst worden, niet altijd realistisch zijn en problemen oproepen. Een
minpunt aan haar argumentatie was het hypothetische en voorspellende karakter.
Dit kwam naar voren in retorische vragen zoals: ‘Is de privacy gegarandeerd,
wat als data uitlekt’? Het blijft natuurlijk ook lastig om hierbij met harde
feiten te komen. Marieke vond wel degelijk dat het middel proportioneel is voor
het doel. Volgens haar kan een centrale database waarbij informatie
gecombineerd wordt en patronen herkend, bijdragen aan het signaleren van
problemen bij jongeren in een vroeg stadium. Marieke ging echter minder in op
de risico’s die het schetsen van profielen op deze manier met zich meebrengt.
Beide partijen maakten goed gebruik van
bronnen en voorbeelden ter illustratie van hun argumentatie. Marieke gebruikte
bijvoorbeeld voorbeelden uit de praktijk, die goed op de verbeelding inspraken.
Ook werden de bronnen op een meer natuurlijke manier ingebracht, een probleem
waar de vorige groepen vaak tegenop liepen.
Al met al kan ik concluderen dat dit debat
het beste debat uit de gehele cursus is. Mede dankzij het sterke optreden van
de voorzitter, de duidelijke stelling, de logische argumentatie ondersteund met
bronnen en de rol van het publiek. Natuurlijk is het ook wel logisch dat de
debatten in de loop van tijd beter zijn geworden aangezien we met z’n allen
kunnen leren van zwakke en sterke punten van de voorafgaande debatten.
donderdag 28 oktober 2010
Hoorcollege 5 - Stephan Okhuijsen
Privacy versus
veiligheid
volgens velen. Wij als Nederlandse burgers hebben dan ook het recht op privacy.
In Nederland is het recht op privacy vastgelegd in de artikelen 10 tot en met
13 van de Nederlandse Grondwet. Maar wat betekent het recht op privacy precies?
De eerste definitie van het privacyrecht, beschreven door Warren en Brandeis,
is: ‘the right to be left alone’ [i]. Het recht
is de wettelijke bescherming van onze persoonlijke levenssfeer en draait om de
bescherming van persoonsgegevens, de bescherming van ons lichaam en onze woning
en de bescherming van het gezinsleven. Het omvat ook het recht om vertrouwelijk
te communiceren via brief, telefoon, e-mail en dergelijke. Kortom, privacy
betekent dat je als burger dingen kan doen zonder dat de buitenwereld daarvan
weet of inbreuk op maakt.
Ons recht op privacy lijkt echter tegenstrijdig te zijn met
andere belangen. Veiligheid is een van de belangrijkste belangen die op
gespannen voet leeft met privacy. Stephan Okhuijsen, medewerker van Bits of
Freedom, een organisatie die onze digitale burgerrechten beschermd, gaat hier
op het gastcollege van 28 oktober 2010 op in. De overheid voert sinds 2000
stelselmatig wetten in welke onze privacy aantasten. Ze krijgen steeds meer
grip en middelen. Met name sinds 11 september, de start van de klopjacht naar
terroristen, is deze ontwikkeling versterkt. De overheid moet alles in de gaten
kunnen houden, aldus Stephan Okhuijsen. Echter, de toenemende hoeveelheid
wetten en regels, onder het mom van terrorismebestrijding, leidt tot een toenemend
aantal maatregelen die in strijd zijn met ons recht op privacy.
In het artikel van David Lyon, “National ID Cards: Crime-Control, Citizenship and Social Sorting” 2007
[ii],
gaat Lyon ook verder in op deze tegenstrijdigheid in belangen. In het artikel
wordt er gesproken over ID-kaart systemen die, onder het mom van technologie,
veiligheid en administratieve efficiëntie, wereldwijd worden ingevoerd. Deze
systemen worden gebaseerd op biometrie en maken gebruik van doorzoekbare
databases die al onze gegevens opslaan. Ook Stephan Okhuijsen benadrukt dat de
overheid en bedrijven steeds meer gegevens van ons opslaan. Een voorbeeld van
een wet die dat mogelijk maakt, is de dataretentie wet. Een Europese maatregel
die aangeeft dat alle verkeersgegevens van een burger een jaar lang bewaard
moeten worden. Denk hierbij aan bel gegevens, websites en e-mails. Deze
gegevens worden opgeslagen door de providers zelf.
Gegevens zijn o.a. door technologische ontwikkelingen steeds
makkelijker op te vragen en te combineren. Bij mij en velen dan de vraag: ‘wat
gebeurd er met al onze gegevens en waarom worden deze opgeslagen?’. Het
verzamelen, analyseren en combineren van gegevens leidt tot een profiel voor
iedere burger. Op basis van dit profiel kunnen beslissingen worden genomen. Dit
proces waarbij patronen uit gegevens worden gehaald, wordt ook wel datamining
genoemd. Stephan Okhijsen maakte duidelijk dat het AIVD alle gegevensbestanden
van de overheid en het bedrijfsleven mag opvragen en gebruiken voor analyse.
Iedere overheidsinstelling is dan ook verplicht deze gegevens af te staan. Dit
betekent dus dat het AIVD toegang heeft tot de (privé) gegevens van elke
burger, in het kader van nationale veiligheid.
Het opslaan, combineren en analyseren van gegevens ter wille
van onze veiligheid, brengt een aantal problemen met zich mee. Zo worden burgers
in de gaten gehouden die aan een bepaald statistisch profiel voldoen en niet
omdat ze verdacht zijn. De statistische analyse gebeurd bovendien niet door
wetenschappers maar door de politie. Daarnaast is het aannemelijk dat het
trekken van correcte conclusies aan de hand van analyses geen makkelijke taak
is, waardoor eventueel verkeerde statische profielen zouden kunnen ontstaan.
Een soortgelijk probleem wordt ook geschetst in het artikel
van Lyon waarbij het draait om ID-systemen die afhankelijk zijn van biometrie.
De codes die bepalen in welke categorie individuen geplaatst worden, zijn
gerelateerd aan lichamelijke en gedragskenmerken van mensen. Dit betekent dat
de beslissingen die worden genomen bij het indelen van individuen in (twijfelachtige)
categorieën, waarschijnlijk geen rekening houden met het leven in de alledaagse
levenswereld van mensen. Lyon: “New IDs ‘sort things out’ (Bowker and Star
1999) in new ways, the consequences of which have yet fully to be seen. And,
moreover, they do this remotely — at a distance — and using biometric measures,
thus removing these markers of ‘identity’ even further from the struggles of
daily life and the sphere of political debate.” 1
Volgens Stephan Okhijusen is er sprake van een onbalans in
de macht, diegene die jou gegevens bewaard heeft macht. Hoe meer informatie hoe
meer macht. Lyon heeft het zelf over een ‘culture of control’ waarbij wij als
burgers worden gecontroleerd en geanalyseerd. De grenzen verschuiven,
machtsrelaties zijn aan het werk en hebben grip op onze gegevens, onze levens
en op onze maatschappij. En in dit proces lijkt onze privacy grondig te worden geschonden.
Maar zijn wij ons hiervan bewust?
De groeiende wens naar meer veiligheid en de dreiging van
terrorisme lijken er toe te leiden dat burgers steeds minder moeite hebben om
de beperkingen van de privacy te accepteren, aldus het Sociaal Cultureel
Planbureau in 2004 [iii]. Ook de
overheid wordt gevoed met het idee dat onze privacy ondergeschikt is aan onze
veiligheid. De conclusie volgt uit het rapport "Gewoon Doen, beschermen
van veiligheid en persoonlijke levenssfeer" van de commissie Veiligheid en
persoonlijke levenssfeer, die vorig jaar in het leven werd geroepen [iv].
Veiligheid en de angst op terreur wegen zwaar en het lijkt
erop dat onze privacy het moet ontgelden. Betekent dit dan het einde van onze
privacy? Op die vraag kan niemand een antwoord geven. Wel kunnen en moeten we
stilstaan bij de maatregels en de bijbehorende effecten hiervan in verhouding
tot het probleem dat we willen oplossen. Er zal er een balans gevonden moeten
worden tussen de functionaliteit die mensen en bedrijven willen van het internet,
en de hoeveelheid persoonlijke informatie die daar tegenover staat. Oftewel een
balans tussen veiligheid en privacy.
Bronnen:
[ii] D. Lyon.
2007. “National ID Cards: Crime-Control,
Citizenship and Social Sorting”
(Laatst bekeken op 05-11-2010)
[iii] 2004. “Burgers vinden veiligheid vaak belangrijker
dan privacy”
(Laatst bekeken op 05-11-2010)
maandag 25 oktober 2010
Mediabericht - "Google onderschepte wachtwoord en e-mail"
Google is watching
you
De discussie over privacy van internetgegevens lijkt geen
einde te kennen. Zo kwam ik in de Telegraaf een interessant nieuwsbericht tegen
waarin Google de privacy van de burger heeft geschonden bij het maken van
foto’s voor Google StreetView [i]. Google
streetView is een gratis dienst aangeboden door Google, die het mogelijk maakt
voor de gebruiker om 360°-panorama-foto's te bekijken van straten op
straatniveau. Het totaal aantal gefotografeerde wegen in Nederland bedraagt nu
zo’n 75.600 kilometer.
De discussie over privacy van internetgegevens lijkt geen
einde te kennen. Zo kwam ik in de Telegraaf een interessant nieuwsbericht tegen
waarin Google de privacy van de burger heeft geschonden bij het maken van
foto’s voor Google StreetView [i]. Google
streetView is een gratis dienst aangeboden door Google, die het mogelijk maakt
voor de gebruiker om 360°-panorama-foto's te bekijken van straten op
straatniveau. Het totaal aantal gefotografeerde wegen in Nederland bedraagt nu
zo’n 75.600 kilometer.
Deze dienst werd gelanceerd in 2007 en heeft al heel wat
kritiek gekregen wegens schending van de privacy. Zo zijn er bijvoorbeeld
foto’s te zien van mannen die een stripclub verlaten, blote zonnebaders of
mannen die een prostituee oppikken. Afgelopen mei kwam Google ook al in het nieuws doordat zij per
ongeluk ip-adressen verzameld hadden. Ditmaal zijn complete e-mails en
wachtwoorden door Google binnengehaald tijdens het verzamelen van foto’s voor
Google StreetView. Dit is natuurlijk een ernstige inbreuk op de privacy van de
burgers. Volgens Google gebeurde dit alles zonder opzet en ‘per ongeluk’. Het
blijft natuurlijk wel erg vreemd dat dit soort gevoelige data wordt
binnengehaald tijdens het maken van foto’s.
Privacydeskundige Alberdingk Thijm geeft in het artikel aan
dit een kwalijke zaak te vinden: “E-mails en wachtwoorden zijn bij uitstek
privacygevoelig. Ze zijn namelijk direct herleidbaar tot personen. De schending
van de privacywetgeving is buiten kijf” .
Aan de andere kant zijn er dus ook genoeg mensen die hun
draadloze netwerk en e-mail zonder beveiliging gebruiken, dit heeft natuurlijk
iets te maken met eigen verantwoordelijkheid. Het belang van een veilig
draadloos thuisnetwerk wordt maar weer eens benadrukt.
Google neemt op zijn beurt maatregelen om de privacy van de
burger te beschermen. Zo worden gezichten onherkenbaar gemaakt en nummerborden onleesbaar.
Ook heeft Google het inmiddels gemakkelijker gemaakt om ongewenste foto’s te
laten verwijderen.
Daarnaast is er een wet opgesteld die est dat Google
onvervaagde StreetView beelden niet twaalf, maar slechts zes maanden bewaart.
Ook wil de Europese privacywerkgroep dat google van tevoren aankondigt wanneer
zij beelden gaan verzamelen voor StreetView. Dat zou via de lokale of nationale
pers moeten worden gecommuniceerd.
Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) is afgelopen
mei een onderzoek begonnen naar het verzamelen van privé-informatie door Google
in Nederland. Dat onderzoek is nog in volle gang [ii].
Bronnen:
[i] A. Monterie. 25-10-2010. “Google onderschepte wachtwoord en e-mail”
(Laatst bekeken op 25-10-2010)
[ii] NOS. 21 mei 2010. “CBP start onderzoek naar Google”
(Laatst bekeken op 25-10-2010)
(Laatst bekeken op 25-10-2010)
E. Hamel. 11 maart 2010 “Google
Street View ontsluit Nederland”
(Laatst bekeken op 25-10-2010)
Werkcollege 5 - Analyse debatgroep 4
Analyse debatgroep 4 – Thema: Politiek en Nieuwe Media 1:
Participatie
Het thema van het debat van deze week was
politiek en nieuwe media. De debatgroep heeft over de volgende stelling
gedebatteerd:
“De mogelijkheden van social media hebben geleid tot een rationeel
debat
tussen burger en politiek”
Er werd een duidelijk inleiding gegeven door
de voorzitter, Wendy Straathof. De stelling leek op het eerste opzicht
duidelijk en de begrippen waren eveneens door de voorzitter afgebakend. Echter
bleek dat er tijdens het debat onduidelijkheid ontstond omtrent de stelling.
Ten eerste is de term social media een breed begrip, wat vooral lastig is in
het licht van de stelling. Aan de ene kant heb je de blogs en discussiefora en
aan de andere kant heb je social netwerksites zoals Twitter. Het is haast
onmogelijk om deze verschillende media onder één noemer te schuiven. Daardoor
leken beide partijen soms langs elkaar heen te praten en gaven ze niet altijd
duidelijk aan over welk soort social media het ging en waar wel of niet een
rationeel debat plaatsvindt. Ten tweede ging het debat voor een groot deel over
het begrip ‘rationeel debat’. Beide partijen hadden een andere voorstelling bij
de definitie van dit begrip en dit leidde het debat af van de werkelijke
stelling. Zo gingen beide partijen ook lang door over de gelijkwaardige toegang
tot bepaalde online platforms. In mijn ogen blijft die gelijkwaardigheid echter
een illusie. De voorzitter had in dit opzicht actiever moeten zorgen dat het
debat niet te veel van de stelling zou afwijken.
Kijken naar het brongebruik, werden helaas niet
alle uitspraken en standpunten onderbouwd met bewijs. In de evaluatie gaven de
sprekers ook aan dat zij hier moeite mee hadden. Ook ontbrak het soms aan
praktijkvoorbeelden, die het debat wat levendiger hadden kunnen maken. Wel werd
er het gesproken over Habermas en zijn definitie van publieke sfeer in vergelijking
met deze stelling. Echter sloeg die vergelijking de plank mis aangezien het er
bij de publieke sfeer van Habermas niet ging over machthebbers of politiek maar
over de burgers onderling.
Tijdens het debat heb ik specifiek gelet op
de argumenten die beide partijen aanvoerden. De tegenpartij is het ermee eens
dat de mogelijkheid tot platforms er zijn door de opkomst van social media,
iets dat door de voorpartij meerdere malen is geconstateerd. Echter is de
voorpartij er niet op ingegaan of dit heeft geleid tot een rationeel debat. Het
bewijs was dus geen warrant voor de stelling. De tegenpartij kwam met de claim
dat burgers geen behoefte hebben om social media te gebruiken voor het
deelnemen aan het politiek debat, maar dat zij social media vooral zien als een
informatiebron. Als bewijs voor hun claim gebruikten zij een onderzoek over Twitter
waaruit bleek dat het overgrote deel van de gebruikers van deze social
netwerksite geen behoefte hebben aan politieke tweets. Het probleem ligt hier
in het feit dat Twitter niet representatief is voor alle social media en dat
het hier dus slechts om één soort social media gaat, namelijk Twitter als
social netwerksite.
Ook werden tijdens het debat de burger en
politiek als twee losse partijen tegenover elkaar gezet. Echter moet er wel in
het achterhoofd worden gehouden dat de politiek in feite een vertegenwoordiging
van de burgers is aangezien zij de politiek hebben gekozen. Deze dichotomie
moet dus worden genuanceerd.
Het debat was duidelijk gestructureerd en er
werd gewerkt met verschillende rondes met tijdslimiet waarbij beide partijen
hun standpunten aan het publiek en aan elkaar konden introduceren. Daarnaast
was er tijdens de ‘cross examination’ ruimte voor een debat, zonder
tijdslimiet. Een minpuntje was dat sommige deelnemers zelf de beurt namen en
hier schoot de voorzitter tekort. De voorzitter had iets pro actiever kunnen
optreden om echt de leiding van het debat te pakken. Kijkend naar de andere
deelnemers, was Naema Lewory soms haar verhaal kwijt en kwam daardoor hakkelig
over. Echter werd zij steeds zelfverzekerder naarmate het debat vorderde. Nina
van Kalker kwam tijdens haar inleiding ook wat zenuwachtig over, daarnaast voelde
zij zich soms persoonlijk aangevallen wat niet het geval was. Wel vond ik Nina
sterk in haar argumenten. Maarten van Ast kwam duidelijk, standvastig en
retorisch goed over en gebruikte humor. Echter viel hij in de herhaling met
zijn argumenten. Dat laatste geldt ook voor Rik van Ooijen. Zijn inleiding was
duidelijk, echter was hij tijdens het debat ietwat passief. Over het algemeen
vond ik de tegenpartij de sterkere partij.
Het debat was erg interessant en leerzaam.
Het is duidelijk dat een goede stelling een debat kan maken of kraken en dat de
rol van de voorzitter noodzakelijk is om het debat in goede banen te leiden.
vrijdag 22 oktober 2010
Mediabericht - "Frankrijk wil 'three-strikes-out' op Europees niveau"
‘Three strikes out’
ook in Nederland?
In het licht van internet en auteursrecht is het debat
rondom het zogenaamde ‘three strikes out’ beleid van Frankrijk erg interessant
en actueel. De zogenaamde 'Three-strikes-out'-aanpak houdt in dat consumenten
na drie waarschuwingen worden afgesloten van internet als ze illegaal blijven
downloaden. Deze wet is in Frankrijk inmiddels van kracht.
Nu las ik op www.nu.nl een artikel [i]
dat Frankrijk pleit voor invoering van deze omstreden wet in andere Europese
landen, waaronder Nederland. Echter ziet het demissionaire kabinet niets in
deze harde maatregel en is het voorstel verworpen en zijn ook andere partijen
het niet eens met deze aanpak. Zo heeft Ot van Daalen, directeur van digitale
burgerrechtenorganisatie Bits of Freedom, een brief op gesteld naar Uri
Rosenthal, minister van Buitenlandse Zaken voor Nederland, waarin hij o.a. het
volgende zegt: “Het moge duidelijk zijn dat een maatregel die tot gevolg heeft
dat honderdduizenden mensen zonder tussenkomst van een rechter mogelijk van
internet worden afgesloten, in flagrante strijd is met internetvrijheid, in het
bijzonder met het grondrecht op communicatievrijheid en het grondrecht op
privacy.”1
Toch blijft het bestrijden van piraterij hoog op de agenda
staan van zowel de Nederlandse overheid als het Europees Parlement. Zo bestaat
er namelijk het ACTA verdrag tussen onder andere de Europese Unie en de
Verenigde Staten dat inbreuken op intellectueel eigendom moet tegengaan. Echter gaat het aanpakken van de
individuele gebruiker, zoals bij het three-strikes-out beleid in Frankrijk,
Nederland te ver en hebben de Europese lidstaten straks zelf te vrijheid om te
bepalen hoe het ACTA verdrag zal worden geïmplementeerd.
In Engeland wordt daar, net als Frankrijk, anders over
gedacht. Het Britse parlement heeft daar met grote meerderheid ingestemd met de
three-strikes-out aanpak die het illegaal delen van bestanden op internet moet
tegen gaan.
Tegenstanders van deze aanpak pleiten voor aanpak vanuit de
industrie. Ook Stichting Brein (Bescherming Rechten Entertainment Industrie
Nederland), beschermer van het auteursrecht in Nederland, wenden zich niet tot
de aanpak van de consument zoals bij de three-strikes-out aanpak gebeurt, maar
focussen zich juist op de tussenpersoon. Met deze tussenpersonen worde de
eigenaars of beheerders van servers of sites met illegaal aanbod bedoeld. Deze
tussenpersonen spelen een belangrijke rol in het faciliteren van het gebruik
van andermans content zonder dat de makers daar (financieel) iets van terug
zien. Volgens o.a. Stichting Brein richt effectieve handhaving zich dus met
name op illegale tussenpersonen die consumenten toegang verlenen tot illegale
content. Dergelijke tussenpersonen worden door Stichting Brein gestopt door
middel van juridische maatregelen. De benadering van inbreukmakende consumenten
kan in de eerste plaats door middel van voorlichting.
[i] C. van Hoek.
22 oktober 2010. “Frankrijk wil 'three-strikes-out'
op Europees niveau”
(Laatst bekeken 23-10-2010)
C. Heijmans. 16 maart 2010. “Geen 'three-strikes-out' in Nederland”
(Laatst bekeken 23-10-2010)
K. Storm. 9 april 2010. “Brits
Lagerhuis stemt voor 'three-strikes-out'-aanpak”
(Laatst bekeken 23-10-2010)
(Laatst bekeken 23-10-2010)
donderdag 21 oktober 2010
Hoorcollege 4 - Jeroen Steeman
“Yes We (also) Can”
Door de veranderingen en wisselwerking op het vlak van communicatie
en machtsverhoudingen, lijkt de publieke sfeer van een institutionele domein
naar een nieuw online domein te zijn verschoven. En dit heeft gevolgen voor de
politiek in relatie tot de burger. Volgens het artikel “Communication, Power and Counter-power in the Network Society” (2007)
van M. Castells [i], is politiek
gebaseerd op gesocialiseerde communicatie met als doel de gedachten van de
burgers te beïnvloeden. Nieuwe media geven de politiek nieuwe manieren om
communicatie te kanaliseren en dus macht uit te oefenen. Echter ligt de macht
niet in de handen van de media. Zo geeft ook Castells aan in zijn artikel: “The
media are not the holders of power, but they constitute by and large the space
where power is decided. In our society, politics is dependent on media
politics.”
Ten grondslag aan de veranderingen op het vlak van
communicatie tussen machtsinstituten en burgers ligt de opkomst van internet, zoals
ook Castells onderschrijft. Volgens Jeroen Steeman, gastspreker tijdens het
hoorcollege op 21 oktober 2010 en communicatiemedewerker internet voor GroenLinks Europa, heeft iedereen
door het internet een potentieel miljoenenpubliek. Politici gebruiken online media
om een groot publiek te bereiken in tegenstelling tot ‘vroeger’ toen zij
afhankelijk waren van de media en journalisten. Nieuwe media bieden nieuwe mogelijkheden
voor de politiek, de communicatie tussen burger en politiek en de publieke
sfeer. Maar ook Steeman geeft aan dat de macht niet in de handen van de media
liggen. Volgens Steeman heeft de politiek de media niet meer nodig aangezien
het communicatieproces daaromheen kan verlopen. Dan hebben we het niet alleen over
het communicatieproces tussen burgers en politici maar ook tussen burgers en
journalisten. Er lijkt niet langer sprake te zijn van een top-down communicatie.
In het artikel van Castells wordt verder aangegeven dat
geloofwaardigheid, vertrouwen en karakter van politici steeds meer invloed
krijgen op de politieke uitkomst [ii]. In dat opzicht is de
vernietiging van deze geloofwaardigheid, goede reputatie en karakter van
politici uitgegroeid tot het meest krachtige politieke wapen. Uit meerdere
onderzoeken [iii]
blijkt ook dat mediapolitiek leidt tot schandaalpolitiek waarbij het gaat om
het vinden van schadelijke informatie over de tegenstander, het manipuleren van
informatie of gewoon het fabriceren van schadelijke informatie voor dat doel.
Ook Jeroen Steeman stond tijdens het hoorcollege bij deze ontwikkeling stil. Daarnaast
gaf hij aan dat schandaalpolitiek op zijn beurt weer leidt tot een deuk in het
vertrouwen in de politiek. Dit gegeven blijkt ook uit het European Trusted
Brands onderzoek (2009) van uitgeverij Reader’s Digest [iv].
Nu politici de media gebruiken om het grote publiek te
gebruiken, maken de burgers ook zelf gebruik van de media om nieuws te maken en
te participeren in het publieke debat. De burgers hebben middels het internet
een podium tot hun beschikking om zelf aan het publieke domein bij te dragen.
Castells noemt dit: ‘mass self-communication’. De burgers maken zich deze
nieuwe vormen van communicatie eigen en bouwen hun eigen systeem van massa
communicatie via SMS, blogs, vlogs, podcasts, wikis etc. De door Castells beschreven
counter-power (tegenmacht) maakt ook gebruik van mass self-communication om
macht uit te oefenen. Zo geeft Castells in zijn artikel het volgende aan: “The
emergence of mass self-communication offers an extraordinary medium for social
movements and rebellious individuals to build their autonomy and confront the
institutions of society in their own terms and around their own projects.” Dus
waar ‘vroeger’ middelen zoals demonstraties, protesten en handtekeningenacties
werden ingezet door de counter-power, zijn deze middelen nu verplaatst naar het
internet. Te denken valt aan online petities.
Het communicatieproces tussen burger en politiek lijkt
volgens Castells en Steeman sterk te zijn veranderd. Burgers hebben middels
nieuwe media platforms om te participeren in het publieke debat. Steeman maakt
de vergelijking met de publieke sfeer van Habermas, namelijk een publieke sfeer
waarin burgers bijeen komen om tot een gezamenlijk punt te komen, publieke consensus.
Volgens Steeman zorgt het internet voor een nieuwe vlucht van de publieke sfeer
aangezien iedereen in de discussie kan meedoen. Nu blijft hier natuurlijk de
vraag; gebeurd dit ook op een efficiëntere manier. Steeman gaf zelf een
voorbeeld waarin hij zijn eigen stelling onderuit haalt. Namelijk het weblog
van Femke Halsema. Deze ston in eerste instantie open voor publieke reacties maar
door een teveel aan negatieve reacties, die niets bijdroegen aan het publieke
debat, moest de weblog worden dichtgegooid. Zo te zien kleven er ook nadelen
aan het open communicatieproces tussen politiek en publiek.
Ook als je kijkt naar de inzet van nieuwe media en om
specifiek te zijn social media, door politici, blijft de vraag of het middel
zijn doel, namelijk de burger, bereikt. Zo blijkt uit een onderzoek van NOS Net
tijdens de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen in februari 2010 [v]
dat lokale partijen volop inzetten op social media, zoals Twitter. Lokale
politici vragen zich echter af of ze grote groepen kiezers bereiken met sociale
netwerken. "Ik merk persoonlijk dat Twitter voornamelijk wordt gebruikt
door politici, media en bedrijven, minder door de 'burger'," aldus
Patricia Wevelkate-Hertgers van de PvdA in Doesburg. Steeman gaf tijdens het hoorcollege
aan dat GroenLinks Twitter zowel gebruikt als marketing tool als een tool voor
het publieke debat, dus om te laten zien dat de partij daar aanwezig is. Maar
als antwoord op een vraag uit de zaal hoe het succes hiervan precies gemeten en
hoe GroenLinks weet wat de inzet van social media oplevert, geeft Steeman het
volgende antwoord: ‘Niet, want dat valt eigenlijk niet te meten’. Groot
voordeel van de sociale media is in elk geval dat ze goed worden gevolgd door
de lokale pers. Dit blijft nou eenmaal van cruciaal belang tijdens een campagne waarin je veel kiezers wilt
bereiken, zo geven bijna alle partijen in het onderzoek van NOS aan.
In het Artikel “Twitteren
om te twitteren? Nederlandse politiek en social media” (2010) [vi]
geeft de schrijver Jasper van Gils de volgende mening hierover: “Om de inzet
van sociale media te doen slagen, is er meer nodig dan enkel linkjes naar het
Twitter, Hyves en Facebook profiel van de lijsttrekker. Twitteren om te twitteren
heeft geen enkele zin.”
De verkiezingscampagne van Obama is een succesverhaal met
betrekking tot de inzet van nieuwe media in de politiek. Een politieke partij
wordt hier als merk neergezet die zich onderscheid van de rest. Obama had een
duidelijke boodschap: “Yes We Can”, die hij via verschillende nieuwe media
kanalen aan zoveel mogelijk mensen communiceerde die vervolgens ook echt iets
met die boodschap zijn gaan doen. Een succesverhaal voor Obama en wellicht een
les voor de Nederlandse politiek.
Bronnen:
[i] M. Castells.
2007. “Communication, Power and
Counter-power in the Network Society”
(Laatst bekeken op 23-10-2010)
[ii] G. Lakoff. 2006.
“Thinking points. Communicating our
American values and vision” New York: Farrar, Strauss and Giroux.
[iii] Thompson
(2000), Tumber en Waisboard (2004), Esser en Hartung (2004), Liebes en
Blum-Kulka (2004), Lawrence en Bennett (2001) en Williams en Delli Carpini
(2004)
[iv] Binnenlands
Bestuurd. 2009. “Vertrouwen in politici
naar dieptepunt”
(Laatst bekeken op 23-10-2010)
[v] NOS. 2010. “Twitter en YouTube niet weg te denken bij
verkiezingscampagne”
(Laatst bekeken op 23-10-2010)
[vi] J. van
Gils. 2010. “Twitteren om te twitteren?
Nederlandse politiek en social media”
(Laatst bekeken op 23-10-2010)
maandag 18 oktober 2010
Werkcollege 4 - Individueel debatverslag
Ter evaluatie van het debat gevoerd op 18-10-2010 heb ik een
individueel debatverslag opgesteld waarin ik inga op de voorbereiding,
samenwerking, structuur en het verloop van het debat en de ontvangen feedback
van medestudenten en de docente. Ik zal eindigen met een evaluatie van mijn
eigen rol binnen het debat.
Voorbereiding
Onze stelling moest worden opgesteld rondom het thema ‘
journalistiek en nieuwe media’.
Daarnaast konden we het gastcollege van Bert Brussen, gerenommeerd
blogger op de website www.Geenstijl.nl
(bekende Nederlandse weblog opgericht in 2003) en de verschillende artikelen als
inspiratie voor onze stelling gebruiken. Ook hadden René en ik al enige voorwerk
verricht aangezien onze stelling in het één op één debat al was gericht op de
burgerjournalistiek en specifiek op de journalistieke code.
Binnen onze debatgroep waren we het eens dat de stelling
over burgerjournalistiek zou moeten gaan. Daarnaast wilden wij debatteren over
de kwaliteit van burgerjournalistiek en de eventuele meerwaarde hiervan. Toch
vonden we het lastig om over de ‘kwaliteit’ de debatteren, aangezien dit een
vaag begrip is. Daarom hebben we geprobeerd om de huidige tegenstelling tussen
de burgerjournalistiek en beroepsjournalistiek te concretiseren, wat
uiteindelijk heeft geresulteerd in de volgende stelling:
‘Journalistiek als professionele beroepsgroep moet
veranderen
naar een open
praktijk’
De groepen zijn op natuurlijk wijze samengesteld; de
voorpartij was ook daadwerkelijk voor de stelling en de tegenpartij was uit
zichzelf tegen de stelling. Samen met René Naus zou ik de bovengenoemde
stelling verdedigen. De samenwerking rondom het opstellen van de stelling en de
voorbereiding op het debat verliep goed. Na bronnenonderzoek en het opstellen
van de argumentatie hebben wij de argumentatie, geformuleerd in grote lijnen,
uitgewisseld. Het doel hiervan was het controleren of we op één lijn lagen wat
betreft de stelling zodat er tijdens het debat niet langs elkaar gesproken
werd.
Structuur
Vervolgens hebben we nagedacht over de structuur van het
debat. Wij wilden vooral een gestructureerde opbouw, omdat een debat in
praktijk vaak minder gestructureerd loopt. Uiteindelijk hebben we gezamenlijk
gekozen voor een structuur waarin is gewerkt met spreektijd. In de eerste
rondes hadden zowel de voor- als tegenpartij drie minuten de tijd om hun
algemene visie op de stelling te geven met daarin de belangrijkste argumentatie
verwerkt. In de tweede ronde hadden beide partijen twee keer drie minuten de
tijd om de argumenten van de ander te weerleggen, oftewel om met elkaar in
debat te gaan. In praktijk is deze spreektijd niet gehanteerd omdat er vooral
in snel tempo werd gereageerd op elkaars argumenten. Spreektijd zou deze
spontane manier van debatteren hebbe beperkt. Daarnaast hebben we afgesproken
dat de sprekers zouden gaan staan om aan het woord te komen, onder andere om te
voorkomen dat de sprekers niet door elkaar zouden praten. Dit werkte in mijn
opzicht goed.
Het was voor ons ook belangrijk om tijdens het debat
interactiviteit met het publiek te creëren. Dit wilden wij bewerkstelligen door
tussendoor te vragen naar de mening van het publiek over de stelling. In
praktijk reageerden maar weinig mensen op deze vraag. Gelukkig ontstond er op
een gegeven moment wel een interessante groepsdiscussie, waarbij het publiek
met interessante opmerkingen en vragen richting de sprekers kwam. In de laatste
minuut zou eigenlijk een conclusie worden gegeven door beide partijen. Helaas
bleef deze conclusie achterwege, mede dankzij de spontane groepsdiscussie, wat
natuurlijk ook erg interessant was. Wel heeft de voorzitter een samenvatting
gegeven van de belangrijkste argumenten voor en tegen de stelling.
Kortom, tijdens het debat is er afgeweken van de vooraf
besproken opbouw en structuur. Toch vond ik het een redelijk gestructureerd
debat met heldere uiteenzetting van argumenten.
Samenwerking / rolverdeling
De samenwerking tussen mijzelf en René Naus is naar mijn
mening vlekkeloos verlopen. We hebben beide evenveel tijd en moeite in de
voorbereiding van het debat en onze argumenten gestoken. Daarnaast lagen we op
één lijn en dat maakte de samenwerking nog makkelijker. Naar mijn idee hebben
ook alle andere leden van deze debatgroep evenveel moeite en tijd in de
voorbereiding van het debat gestoken.
De voorzitter, Ludwine Dekker, nam het voortouw tijdens de
voorbereiding, wat erg fijn was.
Tijdens het debat was er een natuurlijke rolverdeling aan te
wijzen. Zo waren ikzelf mijn partner René Naus en Roos Vermeulen van de
tegenpartij wat vaker aan het woord dan de rest. Helaas was Max Laane iets
passiever en kwam Mariana Kniveton naar het einde van het debat toe, steeds
vaker aan het woord. Ludwine heeft haar rol als voorzitter in mijn opzicht goed
vertolkt maar wellicht had ze vaker naar bronnen kunnen vragen en ervoor kunnen
zorgen dat sommige mensen meer aan het woord kwamen. In de groepsdiscussie kwam
zij als voorzitter beter uit de verf.
Inhoudelijk verloop van het debat
De valkuil bleek in de formulering van de stelling te liggen.
Zo komen er een aantal vage termen in voor, namelijk: ‘journalistiek’,
‘burgerjournalistiek’ en ‘open praktijk’. Deze begrippen laten zich moeilijk definiëren en kunnen op
verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Daarom heeft de voorzitter,
Ludwine, gezorgd voor een duidelijke afbakening van begrippen. Toch blijft het
bij dit soort vage terminologie moeilijk om altijd op één lijn te zitten.
Daarnaast is het debat voor het publiek moeilijker te volgen. Een ander heikel
punt in de stelling, ook door het publiek beaamd, is het feit dat de journalistiek
al (op weg naar) een open praktijk is. Dit was dan ook onderdeel van één van de
belangrijkste argumenten vóór de stelling, namelijk: het heeft geen zin om deze
ontwikkeling tegen te gaan, dus is het zinvoller om door samenwerking tussen de
burgerjournalistiek enerzijds en beroepsjournalistiek anderzijds, deze
ontwikkeling in goede banen te leiden. Tijdens de voorbereiding zijn wij echter
ook tegen dit probleem aangelopen en daarom is toen het volgende afgesproken:
het is aan de voorpartij om aan te tonen dat deze ontwikkeling moet worden
doorgezet en het is aan de tegenpartij om aan te tonen dat deze ontwikkeling
niet wenselijk is en dus zoveel mogelijk beperkt moet worden. Uiteindelijk leek
het debat uiteindelijk meer te gaan over hoe die open praktijk eruit zou moeten
zien en niet of hij er moet komen wel of niet. Het was moeilijk om tot de kern
van de stelling te komen en de knelpunten weer te geven.
Helaas is het bij beide partijen niet gelukt om alle
argumenten te onderbouwen met bronnen, hoewel de tegenpartij hier iets
zorgvuldiger mee om ging dan de voorpartij. Daarnaast bleek dat beide partijen
niet lijnrecht tegenover elkaar stonden. Zo bleken we het beide eens te zijn over de
toegevoegde waarde van burgerjournalistiek binnen de huidige traditionele journalistiek. Voor mijn gevoel was
daarom vooral de argumentatielijn van de tegenpartij niet helemaal helder.
Feedback debat
Naar mijn mening voldeed het debat over het algemeen aan de
grondregels van een goed debat maar waren er ook een aantal punten van
kritiek. Daar waren de
medestudenten en de docente het ook mee eens. Bij deze een opsomming van de
feedback, die soms al ter sprake is gekomen in dit verslag:
-
Vaag termgebruik, begrippen werden wel
verduidelijkt maar toch is het moeilijk voor het publiek om het debat te
blijven volgen. Tip: belangrijkste definities geprojecteerd.
-
De essentie van journalistiek zelf bleef vaag.
Dit werd teveel buiten beschouwing gelaten.
-
Er werd afgeweken van de stelling, het debat
ging uiteindelijk over hoe die open praktijk eruit moet zien en niet of hij er
moet zijn. Wellicht had de stelling beter kunnen gaan over het feit of die
ontwikkeling van de journalistiek naar een open praktijk wenselijk is of niet.
In plaats van het debatteren over de stelling alsof deze ontwikkeling nog in
gang moet worden gezet.
-
De partijen stonden niet lijnrecht tegenover
elkaar.
-
Burgerjournalistiek werd gelijk gesteld aan social
media, alsof deze alleen kan bestaan bij de gratie van nieuwe media.
-
Gebruik en introductie van bronnen liet te
wensen over. Door een strakke voorbereiding kan je ervoor zorgen dat je deze
argumenten, onderbouwd met bronnen, beter op een rij hebt.
-
Het woord werd in het algemeen niet naar het
publiek gericht maar naar de opponent.
-
De sprekers moeten hun tijd en ruimte pakken om
hun argumentatie helder uiteen te zetten.
-
De voorzitter kon alerter optreden.
-
Het was onduidelijk waar het knelpunt precies
lag.
-
Meer praktische voorbeelden geven ter
ondersteuning van argumentatie.
De gegeven feedback was opbouwend en terecht. Voor mij is
het ook duidelijk hoe dit de volgende keer verbeterd of voorkomen moet worden.
Eigen positie in het debat
Binnen het debat was ik één van de twee voorstanders van de
stelling. Aangezien ik mezelf tijdens
het één op één debat ook al had opgesteld als voorstander van burgerjournalistiek,
was het voor mij logisch dat ik vóór deze stelling zou zijn. Ik denk dat ik
mijn rol als voorstander van een open praktijk binnen de journalistiek goed
vertaald heb maar dat er een aantal dingen beter konden. Waar ik zelf tegenop
liep was het vinden van de juiste argumentatie, deze onderbouwen met de juiste
bronnen en tegelijkertijd de argumenten van de tegenstander weerleggen. Op
papier is er een duidelijke argumentatiestructuur aanwezig, maar in de praktijk
blijkt de grootste uitdaging te liggen in het vinden van de juiste
argumentatielijn. Als gevolg liet
het brongebruik te wensen over en heb ik niet al mijn argumenten (logisch)
kunnen inzetten. Aan de andere kant was mijn inleiding met onze algemene visie
op de stelling in mijn ogen een succes. Ook ben ik naar mijn mening voldoende
actief geweest in het verdedigen van de stelling.
Gelukkig heb ik ook persoonlijke feedback op mijn rol in het
debat ontvangen van de docente. Zo maakte ik tijdens het debat gebruik van
retoriek, had ik goede overtuigingskracht en kwam ik zelfverzekerd en wel
besproken over. Daarnaast richtte ik me tot het publiek en gebruikte ik
lichaamstaal om mijn argumenten kracht bij te zetten. Ook was er opbouwende
kritiek gegeven. De docente gaf aan dat het gebruik van voorbeelden of
metaforen om argumenten te illustreren goed is maar dat de tegenpartij dit ook
tegen mij kan gebruiken en dat ik me er dus goed in mijn verdiepen om dit te
voorkomen. In het debat gebruikte ik namelijk Wikipdia als voorbeeld van
burgerjournalistiek die van betere kwaliteit had kunnen zijn wanneer de
professionele encyclopedieën de ontwikkeling van Wikipedia hadden begeleidt. De
tegenpartij bracht een aspect van Wikipedia naar voren, namelijk het gebruik
van moderators, wat voor mij onbekend was. Hier moet ik letten op taalgebruik,
dus nooit zeggen: ‘Dat wist ik niet’.
Dit gaat ten koste van mijn geloofwaardigheid. Ook was het argument,
gekoppeld aan dit voorbeeld, helaas niet onderbouwd met een bron.
Concluderend ben ik tevreden met de vertolking van mijn rol
binnen dit debat en kijk ik terug op een redelijk gestructureerd debat met
interessante interactie tussen het publiek en de sprekers. Inhoudelijk had het
debat sterker kunnen zijn, onder andere als gevolg van vage termen en een
stelling die niet honderd procent waterdicht bleek te zijn.
Werkcollege 4 - Zoekverslag eigen bronnen
Ter voorbereiding van het debat over de stelling
‘journalistiek als professionele
beroepsgroep moet veranderen naar een open praktijk’, heb ik een bronnenonderzoek uitgevoerd. Met behulp van onderstaande bronnen heb
ik mijn argumenten voor deze stelling opgesteld.
Bron 1
Deuze, M. 2003. “The
Web and its Journalisms: Considering the Consequences of Different Types of
Newsmedia Online” New Media
Society
Dit artikel van Deuze geeft een overzicht van de verschillende
type onine nieuwsmedia, hun eigenschappen en de manier waarop deze een
meerwaarde kunnen vormen voor de huidige traditionele journalistiek. Dit
artikel is relevant omdat het de wrijving tussen de traditionele en online
journalistiek weergeeft. Daarnaast gaat Deuze in op het feit dat men moet
realiseren dat de rol van het publiek, met de opkomst van de nieuwe vormen van
online journalistiek, is veranderd. De journalistiek moet de burger een
platform aanbieden en de mogelijkheid geven om meningen en informatie uit te
wisselen, om mee te doen aan de discussie. Ten slotte geeft Deuze aan dat we het dogma ‘wij schrijven,
jullie lezen’ niet moeten onderschatten en dat we rekening moeten houden met de
impact van deze veranderingen op gevestigde kernwaardes en idealen binnen de
traditionele journalistiek.
Bron 2
Oratie M. Chavannes, hoogleraar journalistiek RUG. “iMedia: nieuwe journalistiek, nieuw
burgerschap?” 6.2.07
http://redes.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/2007/m.chavannes/chavannes.pdf
(Laatst bekeken:17-10-2010)
Chavannes beschrijft in dit artikel de ontwikkelingen die de
journalistiek heeft ondergaan, de rol van journalistiek in de huidige
samenleving en hoe de burger hier een steeds belangrijke rol in gaat spelen.
Dit is natuurlijk erg interessant in het kader van onze stelling; moeten we
deze ontwikkeling van de journalistiek naar een open praktijk aanmoedigen of
(proberen te) beperken. Dit artikel was nuttig bij het samenstellen van mijn
argumenten. Zo geeft Chavannes praktijkvoorbeelden van succesvolle burgerjournalistiek,
staat hij positief tegenover de blog cultuur en benadrukt hij dat de rol van
journalistiek en (professionele) journalisten zal moeten veranderen om deze
ontwikkelingen in goede banen te leiden. Ten slotte is hij ook voorstander van
de synergie, het creëren van een situatie waarin burgerjournalistiek enerzijds
en de beroepsjournalistiek anderzijds elkaar aanvullen en waarderen.
Bron 3
A. Hermida. 2010. “From
TV to Twitter: How Ambient News Became Ambient Journalism”
(Laats bekeken: 17-10-2010)
Hermida beweerd in dit artikel dat Twitter zich heeft
ontpopt als een belangrijk medium voor nieuws en informatie over belangrijke
gebeurtenissen en dat Twitter deel uitmaakt van een ‘ambient journalism’ die
werd geboren door middel van nieuwe digitale technologieën. Hermida stelt het
vermogen van de burgers om een actieve rol te spelen in het proces van
verzamelen, rapporteren, analyseren en verspreiden van nieuws en informatie.
Daarnaast worden er veel praktijkvoorbeelden gegeven van deze vorm van
burgerjournalistiek en hoe deze een meerwaarde vormen binnen de journalistiek.
Bron 4
TNS Nipo. 2009. “Onderzoek
naar nieuwsgaring Nederlandse jongeren”, in opdracht van NOS.
http://xyofeinstein.wordpress.com/2009/11/29/onderzoek-van-tns-nipo-naar-nieuwsgaring-nederlandse-jongeren/
(Laatst bekeken 17-10-2010)
Dit onderzoek van TNS Nipo verschaft inzicht over het feit
dat de burger zich nieuwe informatiebronnen aanwendt en dat dit ten koste gaat
van het gebruik van de traditionele media als bron van nieuws. Een waardevolle
conclusie uit dit onderzoek was dat tweederde (65%) van de 13- tot 65-jarigen,
het internet als belangrijke leverancier van nieuws zien. Tachtig procent denkt
in 2029 nieuws van het internet te halen en 72 procent (ook) van tv. De krant
gaat meer inleveren: van 59 procent naar 37 procent. Hieruit blijkt dat
internet, als broedplaats voor burgerjournalistiek, een steeds grotere rol gaat
spelen als bron van nieuws. Hieraan heb ik het argument gekoppeld dat het
onmogelijk en onzinnig is om deze ontwikkeling tegen te gaan en dat er in deze
context samenwerking tussen de burgerjournalist en beroepsjournalist is
verreist.
Bron 5
M. van den Berg, redacteur De Speld. Juli 2010. “De onmogelijke spagaat van de nieuwe media”
http://webcache.googleusercontent.com/search?q=cache:NUs6aR111rsJ:www.joop.nl/opinies/detail/artikel/de_onmogelijke_spagaat_van_de_nieuwe_media/+aantal+burgerjournalisten+neemt+toe&cd=1&hl=nl&ct=clnk&gl=nl (Laatst bekeken 17-10-2010)
Wanneer van den Berg spreekt over de spagaat van de nieuwe
media, dan heeft hij het over het tempo van de nieuwsgaring en -verspreiding
anno 2010, die veel hoger ligt dan vooreen, als gevolg van de digitale
revolutie in de media. Maar dat tegelijkertijd de media wordt afgerekend op
dezelfde kwaliteitseisen als voorheen. Ik heb dit artikel gebruikt om te
illustreren hoe in deze context een samenwerking tussen de professionele journalist
enerzijds en de burgerjournalist anderzijds, leidt tot een beter resultaat. En
dat de één een aanvulling kan vormen op de ander wanneer we spreken van een
open praktijk. Het toenemen van de kwantiteit en snelheid waarop nieuwsgaring
en verspreiding plaatsvindt door het inzetten van de burger als verslaggever en
het gebruik van online media zoals Twitter enerzijds en de kwaliteit door
verdieping en onderzoekskant van de journalistiek anderzijds.
Bron 6
C. Meijer en J. Arendsen. Juli 2010. “Succesvolle participatieve journalistiek faciliteren in plaats van
reguleren”
http://www.denieuwereporter.nl/2010/07/succesvolle-participatieve-journalistiek-faciliteren-in-plaats-van-reguleren/
(Laatst bekeken 17-10-2010)
Dit artikel steunt onze visie dat burgerjournalistiek, hier
soms participatieve journalistiek genoemd, moet worden gefaciliteerd in plaats
van gereguleerd. Ook geeft het artikel aan dat het belangrijk is dat beide
groepen faciliteren en dat is precies waar ook wij als voorstanders van de
stelling voor pleiten in een open praktijk. Daarnaast wordt er ook ingegaan op de kansen en problemen
die burgerjournalistiek met zich meebrengt, wat natuurlijk interessant is in
het licht van het debat.
Bron 7
D Gillmor. 2004 ‘We
the Media. Grasroots Journalism by the People for the People’ Sebastopol,
CA.: O’Reilly.
http://oreilly.com/catalog/wemedia/book/index.csp
(Laatst bekeken 17-10-2010)
Gillmor he`eft het in zijn boek over de verschuiving van de manier waarop
wij nieuws maken en consumeren en de manier waarop het nieuws veranderd van een
lectuur naar een gesprek. Vooral dit laatste heb ik kunnen gebruiken in mijn
argumentatie. Door van de journalistiek een open praktijk te maken, zal de
burger een actievere rol kunnen innemen in het communicatieproces en wordt de
mogelijkheid geboden om ergens een mening over te hebben.
Bron 8
G.J. Bogaerts. September 2009. “Burgerjournalist”
Deze website betreft een forum waarop antwoord wordt gegeven op de
vraag: is er een rol voor burgerjournalistiek, of is dit fenomeen altijd zwaar
overschat geweest? De verschillende reacties op deze vraag heb ik gebruikt in
de voorbereiding van het debat. Het is nuttig en interessant om te kijken hoe
verschillende mensen een mening hebben over burgerjournalistiek en waar precies
de meerwaarde ligt volgens hen.
Bron 9
Dialogic. April 2010. “Breedband
en de Gebruiker V. Wat doet en wil de Nederlandse internetter anno 2010?”
(Laatst bekeken 17-10-2010)
Deze bron betreft een onderzoek in opdracht van het Ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap, het Stimuleringsfonds voor de Pers en UPC Nederland. Het
onderzoek verschaft inzicht over wat de internetter anno 2010 beweegt, wat hem
of haar interesseert en waar hij of zij te vinden is. Wat specifiek van belang
was in het licht van het debat, zijn de vragen die zijn voorgelegd rondom de
perceptie ten aanzien van nieuws dat door ‘gewone burgers’ wordt opgesteld en
online wordt geplaatst. Op de stelling
in hoeverre men op internet professionele journalistiek betrouwbaarder vindt
dan burgerjournalistiek vindt 32%
van de respondenten burgerjournalistiek qua betrouwbaarheid(minstens) gelijkwaardig.
Daarnaast blijkt ook dat de respondenten steeds positiever staat ten aanzien
van de betrouwbaarheid van burgerjournalistiek: in 2007 vond 54% dit
ongelijkwaardig, in 2010 schat slechts 30% nieuws van de gewone burger minder
betrouwbaar in dan dat van een professionele redactie. Dit betekent dus dat men
burgerjournalistiek als een betrouwbare bron accepteren, of dit terecht is of
niet daar valt dan nog over te twisten en dat is dan ook gebeurd tijdens het
debat.
Bron 10
J. Mirck. Augustus 2009. “Citizen
Journalism bepaalt journalistieke agenda”
http://www.jeroenmirck.nl/2009/08/citizen-journalism-bepaalt-journalistieke-agenda/ (Laatst bekeken
17-10-2010)
Dit artikel geeft de visie van de schrijver over ‘Citizen Journalism’,
oftewel burgerjournalistiek weer.
Zijn mening sloot naadloos aan op mijn visie, namelijk dat het er in
deze discussie niet om gaat of alle producten van burgerjournalistiek
journalistiek van aard zijn. Dat zijn ze niet. Wel hebben ze invloed en dragen
ze bij aan nieuwsgaring en- verspreiding en zijn dus in dat opzicht zonder meer
relevant in het medialandschap.
Abonneren op:
Posts (Atom)
.jpg)

