maandag 25 oktober 2010

Werkcollege 5 - Analyse debatgroep 4

Analyse debatgroep 4 – Thema: Politiek en Nieuwe Media 1: Participatie
 Het thema van het debat van deze week was politiek en nieuwe media. De debatgroep heeft over de volgende stelling gedebatteerd:

“De mogelijkheden van social media hebben geleid tot een rationeel debat
tussen burger en politiek”

Er werd een duidelijk inleiding gegeven door de voorzitter, Wendy Straathof. De stelling leek op het eerste opzicht duidelijk en de begrippen waren eveneens door de voorzitter afgebakend. Echter bleek dat er tijdens het debat onduidelijkheid ontstond omtrent de stelling. Ten eerste is de term social media een breed begrip, wat vooral lastig is in het licht van de stelling. Aan de ene kant heb je de blogs en discussiefora en aan de andere kant heb je social netwerksites zoals Twitter. Het is haast onmogelijk om deze verschillende media onder één noemer te schuiven. Daardoor leken beide partijen soms langs elkaar heen te praten en gaven ze niet altijd duidelijk aan over welk soort social media het ging en waar wel of niet een rationeel debat plaatsvindt. Ten tweede ging het debat voor een groot deel over het begrip ‘rationeel debat’. Beide partijen hadden een andere voorstelling bij de definitie van dit begrip en dit leidde het debat af van de werkelijke stelling. Zo gingen beide partijen ook lang door over de gelijkwaardige toegang tot bepaalde online platforms. In mijn ogen blijft die gelijkwaardigheid echter een illusie. De voorzitter had in dit opzicht actiever moeten zorgen dat het debat niet te veel van de stelling zou afwijken.

Kijken naar het brongebruik, werden helaas niet alle uitspraken en standpunten onderbouwd met bewijs. In de evaluatie gaven de sprekers ook aan dat zij hier moeite mee hadden. Ook ontbrak het soms aan praktijkvoorbeelden, die het debat wat levendiger hadden kunnen maken. Wel werd er het gesproken over Habermas en zijn definitie van publieke sfeer in vergelijking met deze stelling. Echter sloeg die vergelijking de plank mis aangezien het er bij de publieke sfeer van Habermas niet ging over machthebbers of politiek maar over de burgers onderling.

Tijdens het debat heb ik specifiek gelet op de argumenten die beide partijen aanvoerden. De tegenpartij is het ermee eens dat de mogelijkheid tot platforms er zijn door de opkomst van social media, iets dat door de voorpartij meerdere malen is geconstateerd. Echter is de voorpartij er niet op ingegaan of dit heeft geleid tot een rationeel debat. Het bewijs was dus geen warrant voor de stelling. De tegenpartij kwam met de claim dat burgers geen behoefte hebben om social media te gebruiken voor het deelnemen aan het politiek debat, maar dat zij social media vooral zien als een informatiebron. Als bewijs voor hun claim gebruikten zij een onderzoek over Twitter waaruit bleek dat het overgrote deel van de gebruikers van deze social netwerksite geen behoefte hebben aan politieke tweets. Het probleem ligt hier in het feit dat Twitter niet representatief is voor alle social media en dat het hier dus slechts om één soort social media gaat, namelijk Twitter als social netwerksite.

Ook werden tijdens het debat de burger en politiek als twee losse partijen tegenover elkaar gezet. Echter moet er wel in het achterhoofd worden gehouden dat de politiek in feite een vertegenwoordiging van de burgers is aangezien zij de politiek hebben gekozen. Deze dichotomie moet dus worden genuanceerd.

Het debat was duidelijk gestructureerd en er werd gewerkt met verschillende rondes met tijdslimiet waarbij beide partijen hun standpunten aan het publiek en aan elkaar konden introduceren. Daarnaast was er tijdens de ‘cross examination’ ruimte voor een debat, zonder tijdslimiet. Een minpuntje was dat sommige deelnemers zelf de beurt namen en hier schoot de voorzitter tekort. De voorzitter had iets pro actiever kunnen optreden om echt de leiding van het debat te pakken. Kijkend naar de andere deelnemers, was Naema Lewory soms haar verhaal kwijt en kwam daardoor hakkelig over. Echter werd zij steeds zelfverzekerder naarmate het debat vorderde. Nina van Kalker kwam tijdens haar inleiding ook wat zenuwachtig over, daarnaast voelde zij zich soms persoonlijk aangevallen wat niet het geval was. Wel vond ik Nina sterk in haar argumenten. Maarten van Ast kwam duidelijk, standvastig en retorisch goed over en gebruikte humor. Echter viel hij in de herhaling met zijn argumenten. Dat laatste geldt ook voor Rik van Ooijen. Zijn inleiding was duidelijk, echter was hij tijdens het debat ietwat passief. Over het algemeen vond ik de tegenpartij de sterkere partij.

Het debat was erg interessant en leerzaam. Het is duidelijk dat een goede stelling een debat kan maken of kraken en dat de rol van de voorzitter noodzakelijk is om het debat in goede banen te leiden.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten