donderdag 30 september 2010

Hoorcollege 2 - Jacco van Uden


De toekomst van games in het onderwijs

De huidige digitale cultuur en de opkomst van nieuwe technologie hebben gevolgen voor de huidige onderwijswereld. Zo lijkt er sprake te zijn van een tweescheiding, met aan de ene kant het traditioneel onderwijs, waarbij lessen worden gegeven door een docent in een lokaal, studenten deze stof absorberen en waarbij in het eindstadium de kennis van de student wordt getoetst. Aan de andere kant het zogenaamde ‘nieuwe leren. Bij deze manier van lesgegeven gaat de docent steeds meer een rol als begeleider van het leerproces aannemen en wordt er sterk gefocust op competentiegericht leren waarbij in de meest ideale situatie, de student meer betrokken wordt bij zijn eigen leerproces. Paul Kirschner, hoogleraar onderwijstechnologie, onderwijskunde en eveneens voorzitter van het Research Centre Learning in Interaction aan de Universiteit Utrecht, geeft in een interview (2007)[i] aan dat er niet zoiets bestaat als ‘nieuw leren’.  Kirschner is het niet eens met de dichotomie, in de zin van twee elkaar uitsluitende benaderingen, met het oude leren aan de ene kant en het nieuwe leren aan de andere kant. Dat is wat de aanhangers van het nieuwe leren willen doen geloven: gooi al het oude weg en we gaan het nu op een nieuwe manier doen, aldus Kirschner. Toch is ook Kirschner het eens dat  het onderwijs door de opkomst van nieuwe technologieën in aanraking is gekomen met nieuwe lesmethoden. Waar het actuele debat zich mee bezig houdt is of het onderwijs werkelijk beter is geworden of kan worden door deze ontwikkeling.

In het kader van nieuwe lesmethoden wil ik het hier hebben over één bepaald type: (serious) gaming. Tijdens het hoorcollege over Serious Gaming gegeven op 30 september door gastspreker Jacco van Uden, stond de toekomst van Serious Gaming centraal. Om te beginnen wil ik het begrip ‘Serious Game’ als volgt afbakenen: een Serious Game is een game ontwikkeld met een ander primair doel dan puur het leveren van amusement. Interessant is om hierbij stil te staan welke rol Serious Gaming kan spelen in diverse maatschappelijke sectoren. Zo worden simulatie games ingezet waarbij het mogelijk wordt gemaakt om praktijksituaties na te schetsen die in werkelijkheid te duur of gevaarlijk zouden zijn om na te simuleren. Daarnaast zouden multiplayer role games een positieve invloed hebben op de eigenschappen in de werkelijkheid, denk aan leiderschapsrollen en het maken van strategische keuzes. Hoewel Serious Gaming dus in meerdere toepassingsvelden kan worden ingevoerd, is het gebruik van games bij onderwijs en training toch wel het meest voor de hand liggende toepassingsveld. Een aantal voordelen van het gebruik van games in het onderwijs die genoemd zijn door Jacco van Uden:

-       Actieve deelname, in tegenstelling tot de meer traditionele en passieve vorm van leren, zorgt ervoor dat de leerstof beter blijft hangen.
-       Snel feedbackmechanisme want er is sprake van een samensmelting van leren en toetsen.
-       Onderwijs op maat doordat er op eigen tempo wordt geleerd.
-       Duidelijke beloningsstructuur.

Daarnaast blijkt uit de Kennisnet Onderzoeksreeks (2009) “Wat weten we over effecten van games”  [ii] dat games motiveren, helpen cognitieve vaardigheden verbeteren, leerlingen kunnen er veel kennis mee vergaren en games kunnen zelfs positieve effecten hebben op de lichamelijke gezondheid. De meeste resultaten uit het onderzoek wijzen op een positief effect van games in het onderwijs. Zo blijkt de inzet van games in het onderwijs, in vergelijking met de meer traditionele lesmethoden, de motivatie tot leren te vergroten en een positief beeld op te roepen bij het begrip school. Hoewel uit dit onderzoek blijkt dat het aanbod aan games beter op jongens aansluit dan op meisjes, trad het motiverende effect zowel bij jongens als meisjes op.

Toch kunnen games ook vanuit een andere invalshoek worden ingezet in het onderwijs. In het artikel van Herz (2001) “What Higher Education Can Learn from Multiplayer Online Worlds” [iii], maakt de auteur duidelijk dat het niet zozeer gaat om het onderwijs die games moet gaan ontwikkelen en inzetten in hun leertraject. Herz gaat erom dat online  multiplayer games zich als een uitstekend voorbeeld verlenen voor het onderwijs aangezien zij een succesvolle manier van leren illustreren. In het artikel beschrijft de auteur welke elementen uit de multiplayer online worlds, het leerproces binnen het hoger onderwijs zou verbeteren. Spelers van dit soort games worden als het ware opgenomen in het sociaal netwerk van het spel. Niet alleen met als doel om met elkaar te concurreren maar vooral om samen te werken, te experimenteren en samen te bouwen aan een model voor leren en onderwijzen. Het leerproces in multiplayer online games vindt plaats in een zeer sociale omgeving en vervolgens worden de verworven vaardigheden op een efficiënte manier gedeeld met iedereen. Volgens Herz werkt een leeromgeving het beste wanneer deelnemers de tools hebben om actief deel te nemen aan hun leerproces. In tegenstelling tot de traditionele leeromgeving waarbij vaak een eenzijdige vorm van communicatie wordt gehanteerd en waarbij het gaat om het absorberen van de leerstof, wordt de student niet geprikkeld of gestimuleerd om deel te nemen aan zijn eigen leerproces. Door het gebruik van verschillende platforms kan deze mogelijkheid worden gefaciliteerd en wordt de actieve, experimentele houding van de speler aangemoedigd. Echter, het meest waardevolle punt dat het hoger onderwijs kan meenemen uit de multiplayer online worlds, is de manier waarop de ontwikkeling van een speler plaats vindt en wordt bijgehouden. Zo wordt in er de gamewereld vaak gebruik gemaakt van een puntensysteem welke het ervaringsniveau bijhoudt op basis van het ontwikkelen van bepaalde vaardigheden. Dit zou in het onderwijs ook kunnen worden toegepast. Op deze manier is het voor studenten mogelijk hun ontwikkeling te zien als een continu proces waarin hun prestaties de sterktes en zwaktes in hun ontwikkeling bepalen.

Voor bovenstaande punten valt wel degelijk wat te zeggen. Een ontwikkeling die echter niet door iedereen als wenselijk wordt gezien, wordt de vervagende grens tussen werkelijkheid en niet-werkelijkheid genoemd. Volgens velen een reëel risico bij de inzet van games in het onderwijs. Volgens Paul Kirschner, hoogleraar Onderwijstechnologie, Onderwijskunde en eveneens voorzitter van het Research Centre Learning in Interaction aan de Universiteit Utrecht, moeten we het in onderwijs niet altijd op het nieuwe leren gericht zijn 1. Laten we eerst stilstaan bij wat we aan onderwijstools hebben en deze beter leren gebruiken voordat we op zoek gaan naar nieuwe technieken die bij definitie niet beter zijn, aldus Paul Kirschner. Daarnaast kan men beter zijn tijd steken in onderzoek naar hoe mensen leren. Hier ligt de kern waarop kan worden voortgeborduurd. Toch blijkt Kirschner wel degelijk open te staan voor de mogelijkheden van technologische ontwikkelingen in het onderwijs. Zo zegt hij in het interview het volgende: “Daarbij moet je denken aan mobiele technologie waarin een bepaalde awareness, een bewustzijn is ingebouwd, in de zin dat de apparaten weten waar mensen zijn en wat ze doen. Dat zal ons de mogelijkheid geven om efficiënter en effectiever te leren, vooral ook informeel.” 1

Tot slot houden sommigen zich bezig met de vraag of onze huidige samenleving en onderwijscultuur wel klaar is voor de inzet van dit soort nieuwe lesmethoden. Zo blijkt uit een ander onderzoek van Kennisnet (2009) “Vier in Balans Monitor” 2 dat games zeker in het voortgezet onderwijs, nog maar sporadisch worden ingezet voor onderwijsdoeleinden. Wel wordt er al op verschillende plaatsen geëxperimenteerd. Persoonlijk vind ik dit een goede ontwikkeling omdat er nog flinke stappen moeten worden gemaakt. Er moet meer aandacht worden besteed aan onderzoek naar games in het onderwijs en dit in nauwe samenwerking met het onderwijs. Daarnaast is het belangrijk dat het onderwijs zich zo inricht, dat het mogelijk wordt om de gewonnen kennis en toepassingen van het onderzoek in het onderwijs in praktijk te brengen. Pas wanneer deze samenwerking tussen onderzoek en onderwijs tot stand komt, bestaat er wellicht de kans dat het onderwijs in de toekomst leerwinsten kan behalen door de inzet van (educatieve) games.

Bronnen:



[i] Kirschner, P. 2007. Interview met Paul Kirschner: “Ik denk niet dat er zoiets als nieuw leren bestaat.”
(Laatst bekeken op 03-10-2010)

[ii] Redactie Kennisnet. 2009. “Onderzoeksreeks: wat weten we over de effecten van games”
(Laatst bekeken op 03-10-2010)

[iii] Herz, J. 2001. Gaming the system, what higher education can learn from multiplayer online worlds. The Internet and the University, Forum. Pp 169-191. http://net.educause.edu/ir/library/pdf/ffpiu019.pdf
 (Laatst bekeken op 03-10-2010)



maandag 27 september 2010

Werkcollege 2 - Eén op één debat



Stelling

Tijdens het één op één debat kregen wij ieder 3 minuten om ons standpunt te presenteren en vervolgens nogmaals 3 minuten om te reageren op de argumenten van de ander. Er is gesproken over de volgende stelling:

"Een nieuwe journalistieke code is met de opkomst van
burgerjournalistiek noodzakelijk"

Door de opkomst van nieuwe media en de mogelijkheden voor burgers zodoende te participeren in de journalistiek, staat de journalistieke code ter discussie. Is een journalistieke code noodzakelijk om de journalistieke regels en wetten in te kaderen. Dit debat is in 2008 op gang gekomen toen er een nieuwe journalistieke code aangenomen door het Genootschap van Hoofdredacteuren. Echter is de journalistieke code nog steeds een discussiepunt en een onbesloten onderwerp in het actuele debat.

Een van de redenen waarom men met een nieuwe code wil komen is dat de nieuwe media – internet en burgerjournalistiek – het hele journalistieke werkveld in een ander daglicht plaatsen. En men wil graag een code die met de nieuwe realiteit rekening houdt. Maar het uitgangspunt is dat er kennelijk een code nodig is. Journalistiek is niet wettelijk aan strakke regels en papiertjes gebonden zoals dat bijvoorbeeld geldt voor artsen. Iedereen kan zich dus journalist noemen en ‘nieuws’ de wereld inschieten.

De beroepsjournalisten zouden graag zien dat duidelijk is wat het kaf is en wat het koren. Zeggen dat je je houdt aan de code kan eventueel een rechtvaardiging zijn om jezelf een ‘echte’ journalist te noemen. Voor journalisten een houvast, of ten minste een uitgangspunt bij discussies; voor niet-journalisten, het publiek dus, een begin van verantwoording: hier willen journalisten op worden aangesproken.
Het doel van een journalistieke code is bijdragen aan de kwaliteit van journalistieke producten en gedragingen in Nederland. Opvallend nieuw vertrekpunt is de stelling dat iedereen journalist is die zich journalist noemt en deze code wil onderschrijven, ongeacht of deze persoon daar zijn geld mee verdient. Dat principe gaat trouwens niet alleen op voor een persoon, maar tevens voor een medium (krant, site, programma, etc.) dat zich journalistiek noemt.
Ik ben tegen bovenstaande stelling en vind niet dat een nieuwe journalistieke code nodig is met de opkomst van burgerjournalistiek. Mijn argumenten tegen de stelling:
-        De beroepsjournalisten zien de burgerjournalistiek als bedreiging in plaats van een aanvulling. En een code is hierbij een poging van de oude journalistiek zichzelf te beschermen tegen nieuwe concurrenten. Om zogezegd een hek te plaatsen rondom de professionele beroepsgroep. Burgerjournalistiek is een andere manier van nieuws brengen, het is de vrije stem van het volk. Beroepsjournalisten vinden deze scheiding belangrijk maar verwachten tegelijkertijd dat deze content aan vergelijkbare kwaliteitseisen moet voldoen. Of journalisten van de oude stempel het leuk vinden of niet, op internet hanteren mediaconsumenten andere normen. Een code is en blijft een versterking van de scheiding tussen journalisten en niet-journalisten, tussen betrouwbaar en niet-betrouwbaar, tussen professionals en amateurs

-        Een journalistieke code zou de kwaliteit het publieke debat en journalistiek moeten waarborgen. Echter is de code niet het juiste middel om dit doel te bereiken. Niemand zit te wachten op een code als middel om de kwaliteit van journalistiek te waarborgen. Er is geen draagvlak voor. Media hebben vaak hun eigen kwaliteitscodes / huisregels die zij hanteren. Zo kunnen zij zelf een verwachtingspatroon voor hun lezer creëren. Voor journalisten zijn ethische normen vanzelfsprekend in de eerste, en vaak laatste plaats een persoonlijke verantwoordelijkheid. Trekken journalisten zich nu al weinig van bestaande codes aan, nieuwe journalisten en serieuze webloggers hebben er al helemaal weinig mee. Uiteindelijk zal de burger zelf bepalen wat kwalitatief betrouwbare en valide informatie is. Er zijn geen codes nodig om die keuze zogenaamd makkelijker te maken. Bovendien wordt er niet gesproken over alternatieve methoden om de kwaliteit van het publieke debat en journalistiek te verbeteren. Het vertraagt juist op deze manier het debat over kwaliteit en betrouwbaarheid van de journalistiek.

-        Burgerjournalistiek is een vrije vorm van nieuws brengen, het brengt een nieuwe manier van omgaan met nieuws met zich mee. Kenmerkend is het snelle, vrije karakter, dit is de kracht van burgerjournalistiek. Een code is al te star voor de traditionele journalistiek om zich aan wetten en regels te binden, laat staan voor de individuele weblogger.


Analyse één op één debat
Dit eerste oefendebat was voor mij erg leerzaam. Zo ben ik tegen een paar punten aangelopen die ik kan gebruiken als leermomenten bij de voorbereiding van het ‘officiële’ debat. Ten eerste moet ik meer gebruik maken van bronnen om mijn argumenten te onderbouwen. Nu zijn het meer loze kreten in plaats van goed onderbouwde argumenten. Ten tweede moet ik nog beter luisteren naar de argumenten van de tegenstander en wellicht zijn/haar argumenten noteren zodat ik hier beter op terug kan komen. Ik heb ook gemerkt dat een duidelijke inleiding erg belangrijk is voor het publiek en dat het gebruik van vaktaal zoveel mogelijk vermijden moet worden of dat er begripsafbakening plaats vindt in de inleiding. Ten slotte heb ik gemerkt dat het erg belangrijk is om een goed afgebakende, duidelijk stelling op te stellen. Het is daarbij zaak om achteraf goed na te gaan of de argumenten inderdaad ook op de stelling slaan en niet alleen op een gedeelte van de stelling of wellicht een geheel andere stelling. Zo ben ik uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat onze argumenten niet goed op de stelling aansloten. Wij hebben eerder argumenten voor en tegen een journalistieke code in het algemeen gegeven in plaats van een ‘gemoderniseerde’ code. Een betere stelling zou in dit geval zijn geweest: ‘Is een journalistieke code noodzakelijk om de kwaliteit van hedendaagse journalistiek te waarborgen’.

Hieronder een analyse van mijn argumenten:

De claim van mijn eerste argument is dat de code een poging is om een hek rondom de professionele beroepsgroep te plaatsen. Echter het bewijs voor het onderbouwen van deze claim ontbreekt grotendeels. Dit had ik zeker beter kunnen doen, door bijvoorbeeld gebruik te maken van bronnen die ditzelfde aangeven of voorbeelden te geven uit de journalistieke code zelf.
Waar ik vooral bij deze stelling tegenaan ben gelopen is het feit dat we van tevoren niet hebben vastgesteld wat precies het doel is geweest van het Genootschap van Hoofdredacteuren bij het aannemen van deze nieuwe code. Zo komt er in de inleiding wel naar voren dat het doel is om de kwaliteit van de journalistiek te waarborgen en het kaf van het koren te scheiden. Echter dit laatste is nooit expliciet aangegeven of onderbouwd met behulp van bronnen, maar in dit geval een aanname. Nou geeft mijn argument aan dat de code is opgesteld uit angst voor concurrentie en een manier is om de professionele beroepsgroep af te sluiten. Maar uit de argumenten van de tegenstander blijkt het echter dat hij het hiermee eens is. Nu gaat de discussie eigenlijk over de stelling of de code als middel mag fungeren om een hek om de beroepsgroep te plaatsen. Daarom was het beter geweest om van te voren samen met de tegenpartij dit soort zaken beter op een rijtje te krijgen. Tot slot heb ik ook niet goed kunnen uitleggen waarom dit bewijs een bewijs is dat de stelling niet klopt.


Het tweede argument is beter opgebouwd dan het eerste argument maar sluit misschien niet helemaal aan op de stelling. De claim is dat een journalistieke code niet het juiste middel is om de kwaliteit van het publieke debat en journalistiek te waarborgen. Het bewijs ter onderbouwing van het argument wordt helaas ook hier niet onderbouwd met bronnen. De warrant ontbreekt hier omdat het argument eigenlijk niet goed op de stelling aansluit, het is namelijk een aanval op de journalistieke code in het algemeen.

De claim in het derde argument is dat een journalistieke code geen draagvlak zal hebben binnen de burgerjournalistiek. Deze claim komt echter al in het tweede argument naar voren. Het bewijs is wederom niet onderbouwd met bronnen en doet daarom tekort. Ook komt niet duidelijk naar voren waarom dit bewijs daadwerkelijk bewijsvoering voor mijn claim is. Het argument sluit ook hier weer niet goed aan op de stelling.

Zoals in de analyse van bovenstaande argumenten naar voren komt zijn mijn argumenten in het algemeen niet goed opgebouwd. Zo ontbreekt het bewijs dat de claim onderbouwd. En ook mis ik vaak de warrant, dus in hoeverre mijn bewijs nu wel echt bewijs is dat de stelling niet klopt. Het is dus erg belangrijk om je argumenten niet achteraf maar juist vooraf op deze manier te analyseren om erachter te komen of ze wel op de juiste manier in elkaar zitten. Ook is het in eerste instantie erg belangrijk om tot een goed afgebakende stelling te komen. Deze leermomenten zal ik zeker gebruiken bij de voorbereiding van mijn officiële debat.

Bronnen:
Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, ‘Code voor de journalistiek’, 2008

H. Evers, ‘Digitale cultuur zet journalistieke mores op z’n kop’, 28 mei 2009

A Pleijter, ‘Het heet zelfregulering maar journalisten zelf doen weinig’, 9 februari 2008

T. Dersjant, ‘Mediadebat niet meer van deze tijd’, 7 december 2008

M. Reijnders, ‘Wij houden ons aan geen enkele code’, 30 januari 2008

J.Stronks, ‘Journalistieke code leidt niet tot misbruik wel tot vertraging’, 2 februari 2008

H. Blanken, ‘Publiek moet media weer kunnen vertrouwen’, 7 februari 2008


Werkcollege 2 - Analyse debatgroep 1

Analyse debatgroep 1 – Thema: Internet en Auteursrecht / privacy


Debatgroep 1 heeft de spits afgebeten met een debat over de volgende stelling:

“Niet commercieel gebruik van auteursrechtelijke content moet worden toegestaan”

Bij de beoordeling van dit debat ben ik o.a. uitgegaan van de grondregels voor een goed debat en de grondregels voor goed presenteren. Over het algemene voldeed het debat helaas niet geheel aan de grondregels voor een goed debat. Het eerste struikelblok was de stelling; deze was naar mijn mening onduidelijk geformuleerd. Ik heb gemerkt dat een stelling het debat kan maken of kraken, oftewel een goed debat begint met een goede stelling. Het probleem bij deze stelling was de begripsafbakening. Zo hadden beide partijen een ander beeld van wat niet commercieel downloaden nou precies inhield. In de inleiding werd de volgende definitie gegeven: er is sprake van niet commercieel downloaden wanneer er geen profijt wordt gemaakt van andermans werk. Echter blijft deze omschrijving ook vaag want waar wordt hier de grens getrokken, wanneer maakt iemand ergens profijt van en wanneer niet? Deze verwarring kwam ook naar voren tijdens het debat bij een voorbeeld waarbij de ene partij vond dat dit een voorbeeld van commercieel gebruik was en de ander niet. De stelling werd tijdens het debat geprojecteerd op het scherm, wat een fijn geheugensteuntje was voor zowel het publiek als de sprekers.

Ten tweede viel het mij op dat de rollen binnen de groep ongelijk verdeeld waren. Zo waren er eigenlijk twee dominante sprekers in het debat, Thomas en Cynthia. Zij waren overduidelijk meer aan het woord dan de anderen groepsleden. Aan de ene kant is het de verantwoordelijkheid van de groepsleden zelf om aan het woord te komen. Aan de andere kant is het de verantwoordelijkheid van de voorzitster om iedereen aan het woord te laten komen en hierbij in te grijpen wanneer nodig. Daarnaast had de groep ook gebruik kunnen maken van spreektijd om iedereen de mogelijkheid te geven om hun standpunt te geven.

In de grondregels van een goed debat wordt de rol van de voorzitter uitvoerig besproken. Ik denk dat de voorzitter wel degelijk een grote rol heeft bij het in goede banen leiden van het debat. Door bijvoorbeeld het stellen van de juiste vragen, in te grijpen wanneer sprekers afdwalen van de kern en ervoor te zorgen dat iedereen een bijdrage levert aan het debat. Sandra had hier sterker kunnen optreden in haar rol als voorzitter. Zij had wellicht vaker kunnen ingrijpen om het debat levendig te houden. Wel werd er een samenvatting gegeven door de voorzitter aan het einde van het debat, ook heeft Sandra ingegrepen toen een spreker te lang op een punt doorging. Een andere verbeterpunt was de opstelling. De voorzitster viel eigenlijk niet op en was dus niet goed gepositioneerd. Dit doet haar autoriteit te kort. Daarnaast was het voor mij onduidelijk wat precies de rol van de presentatrice was. Voor mij gevoel waren er nu twee voorzitters aanwezig om het debat te leiden, wat natuurlijk tegen de regels in gaat en overbodig is. Zij had zich beter bij een van de groepen kunnen aansluiten.

Een ander punt van kritiek was de opbouw van het debat in zijn algemeen. De tegenpartij begon met het geven van hun eerste argument en de voorstanders hebben in feite alleen maar kunnen reageren op deze argumenten. Zij hebben niet te tijd gekregen / genomen om hun standpunten aan het publiek voor te dragen. Daarnaast was er geen duidelijke argumentatielijn aanwezig bij de voorstanders en werd er eigenlijk teveel ingegaan op één argument. Namelijk dat er voor de consument onduidelijkheid heerst waar de grens tussen legaal en illegaal ligt. Toch ontbrak hier het concrete bewijs onderbouwd met bronnen. Zo leek het meer een aanname. De tegenpartij heeft dit argument eigenlijk al snel weerlegd door aan te geven dat er ook andere manieren zijn om de consument voor te lichten en dat de aanpassing van het auteursrecht niet het juiste middel zou zijn om dit doel te bereiken. Dit vond ik een sterke weerlegging. Overigens hebben beide partijen weinig gebruik gemaakt van bronnen om hun argumenten kracht bij te zetten. Zo was er teveel sprake van ongefundeerde uitspraken. Wel kwamen er een aantal voorbeelden langs ter illustratie van de argumenten.

Daarnaast was het debat op een of andere manier niet pakkend. Dit kwam omdat het publiek te weinig werd betrokken bij het debat. Doordat de partijen hun argumenten vooral op elkaar richten en niet op het publiek, is het moeilijk om de aandacht van het publiek erbij te houden. In dit opzicht leek het debat eigenlijk meer op een discussie tussen twee partijen dan een debat dat voor een publiek werd gevoerd. Er werd echter wel een poging gedaan om het publiek bij het debat te betrekken. Er werd gevraagd naar de mening van het publiek omtrent de stelling. Met behulp van groene of rode papiertjes kon je aangeven of je voor of tegen de stelling was. In eerste instantie was ik tegen de stelling maar ik vond wel degelijk dat de tegenpartij de sterkere partij was en het debat in dat opzicht gewonnen had. Ook werd het achteraf duidelijk dat de argumenten onderling uitgewisseld waren. Hoewel dit tijdens het debat niet echt was opgevallen, is het toch niet een eerlijke manier om een debat in te gaan. Je loopt hier een risico dat het debat ‘gespeeld’ lijkt en niet meer spontaan overkomt.

Wat mij verder opviel tijdens was dat beide partijen goed naar elkaar luisterden en er sprake was van wederzijds respect. Er werd goed ingegaan op elkaars argumenten en niet langs elkaar heen gesproken. Er is een duidelijke inleiding gegeven door de voorzitter. Argumenten werden door sommigen wel samengevat. Alleen werden er geen aantekeningen gemaakt. Waarschijnlijk omdat ze al op de hoogte waren van elkaar argumenten. Elk groepslid ging opstaan wanneer zij aan het woord wilden komen, een techniek die in de praktijk ook vaak wordt gebruik bij grotere debatten. Wellicht was deze techniek in deze, meer intieme, setting niet nodig. Ten slotte werd er door sommige goed gebruik gemaakt van lichaamstaal en bij andere kwam hier juist hun zwakte naar voren.

Samenvatting van verbeterpunten:
-        Goed afgebakende stelling.
-        Verdeling van de rollen binnen de groep
-        De rol van de voorzitter
-        Opbouw van het debat en de argumenten
-        Het betrekken van het publiek bij het debat

Al met al heb ik veel kunnen leren van het analyseren van dit debat. De debatten zullen waarschijnlijk kwalitatief steeds beter worden aangezien je kunt leren van de sterke en zwakke punten van je voorgangers. Ik moet daarom wel zeggen dat ik het ondanks bovengenoemde punten van kritiek, een goed openingsdebat vond, alleen al om het feit dat ik van hen heb kunnen leren.










zondag 26 september 2010

Mediabericht - "Saudi-Arabië dringt blogvergunning op"

Internetcensuur

Vanaf ongeveer 2002 deed een nieuwe fase op internet zijn intrede, namelijk de welbekende Web 2.0. Ongeveer rond die tijd kwam het fenomeen weblog op en al gauw verkregen deze weblogs immense populariteit onder de bevolking. Uiteindelijk draait het er bij een weblog om het delen van informatie, het is een tool van de vrijheid van meningsuiting. Naast het delen van nieuws, deelt de blogger namelijk zijn mening over het geschreven onderwerp of gebeurtenis. Deze informatie is erg krachtig en wordt door veel lezers als waar aangenomen. Dat is de kracht van het geschreven woord. Zo nemen mensen bijvoorbeeld alles wat in de krant staat ook voor waar aan. En dit is nu juist waar het ministerie van Saudi Arabië bang voor is.

Op ZDnet las ik de volgende kop: ‘Saudi-Arabië dringt blogvergunning op, vrije meningsuiting niet bedreigt’. ( webadres artikel : http://www.zdnet.nl/news/120688/saudi-arabie-dringt-blogvergunning-op/  ) Volgens de regering in Saudi-Arabië moet iedereen die informatie op het internet publiceert, officieel geregistreerd zijn bij de overheid. Zoals ik teruglas in het artikel heeft het land al veel moeten verduren als het op overheidscensuur aankomt. Zo heeft het land de kranten en journalisten al stevig in zijn greep. Met de opkomst en populariteit van nieuwe media, zoals blogs, hanteert Saudi-Arabië deze met dezelfde beperkingen als zijn traditionele media.

Bij het lezen van dit artikel komen bij mij de volgende vragen op: waarom probeert de overheid toch zoveel vat te krijgen op deze ontwikkelingen op het internet, waar zijn ze bang voor of nog beter gezegd: wat hebben ze te verbergen? Blijkbaar gaat het leven in Saudi-Arabië niet altijd over rozen, want waarom zou de overheid bloggers met kritiek op het leven in Saudi-Arabie anders arresteren. Vervolgens wordt er ook beweerd dat het land de vrijheid van meningsuiting zeker niet probeert te belemmeren.

Toch is internetcensuur niet een ‘ver van je bed show’, ook in NL probeert de overheid vat te krijgen op de informatie die over het internet wordt verspreid. Als voorbeeld het wetsvoorstel van minister Hirsch Ballin waarin de officier van justitie straks zelfstandig strafbare informatie van het internet mag laten verwijderen. Volgens velen ook een vorm van internetcensuur. En niet alleen in Nederland, maar ook wereldwijd wordt internetcensuur een fenomeen dat zich steeds verder uitbreid. Vooral Iran en China passen technieken toe om het internetverkeer nauwlettend in de gaten te houden.

Een ding is zeker, uit de verschillende nieuwsberichten wereldwijd is gebleken dat internetcensuur wereldwijd toeneemt. Steeds meer overheden blokkeren informatie waarvan ze liever niet hebben dat hun burgers dit zien. Laten we hopen dat Nederland juist landen als China, Iran en Saudi-Arabië als voorbeeld neemt om internetcensuur vooral niet in te voeren. Vooralsnog is het duidelijk dat Nederlanders zich niet zomaar laten ontnemen van hun vrijheid van meningsuiting en dat dit voor nu een gevecht is dat in het actuele debat wordt uitgevochten.

Bronnen:
J.Geuens, ‘Saudi-Arabië dringt blogvergunning op’, 24 september 2010

R. Demmers, ‘De kracht van bloggen’, 4 juni 2010

donderdag 23 september 2010

Hoorcollege 1 – Stichting Brein, Tim Kuik

Auteursrecht in het digitale tijdperk

Tijdens het hoorcollege van 23 september stond het auteursrecht centraal en heeft Tim Kuik, directeur van Stichting Brein, namens de stichting gesproken over hun visie op het auteursrecht en op welke manier Stichting Brein probeert deze te beschermen. Ter voorbereiding op het hoorcollege heb ik onder andere het artikel “Confessions of an Intellectual (Property): Danger Mouse, Michkey Mouse, Sonny Bono, and My Long and Winding Path as a Copyright Activist-Academic.” van Kembrew McLeod gelezen. Het is duidelijk dat bovengenoemde personen lijnrecht tegenover elkaar staan in het huidige debat over (de hervorming van) het auteursrecht. Hieronder zal ik mijn bevindingen rondom dit onderwerp beschrijven.

Met de opkomst van verschillende vernieuwende websites en de diverse Web 2.0 toepassingen, is het delen van informatie de normaalste zaak van de wereld geworden. Uit onderzoek van begin dit jaar in opdracht van de stichting Copyright en Nieuwe Media blijkt dat een derde van de Nederlandse bevolking wel eens muziek of films van internet download. Meer dan een miljoen Nederlanders zelfs meer dan eens per week. Ook musici, kunstenaars en andere creatievellingen maken gebruik van deze mogelijkheid. In dit proces wordt echter regelmatig tegen het auteursrecht aangestuit en dan heb ik het vooral over de beperkingen die het auteursrecht oplegt. De uitbreiding van het internet en het oncontroleerbaar gebruik hiervan, leven op gespannen voet met de rechten van de creatieve geesten in onze samenleving

Stichting Brein (Bescherming Rechten Entertainment Industrie Nederland) is een Nederlandse organisatie die de intellectuele eigendomsrechten van belanghebbenden in de entertainment industrie beschermt. Stichting brein profileert zich als de beschermer van het auteursrecht in Nederland. Zij zetten zich in tegen Piraterij, oftewel bewuste schending van het auteursrecht. In dit proces wordt niet de consument aangepakt, maar de tussenpersoon. Met deze tussenpersonen worde de eigenaars of beheerders van servers of sites met illegaal aanbod bedoeld. Volgen Tim Kuik, directeur van Stichting Brein, ligt de oplossing in maatregels die massale inbreuk voorkomen. Het doel is om naleving te creëren en de creativiteit te stimuleren door op deze manier het inkomen van de creatievellingen te beschermen.

De amusementsindustrie staat in dit debat recht tegenover de voorstanders van afschaffing van auteursrecht. Deze laatste staan kritisch tegenover het fenomeen auteursrecht in tijden van digitalisering. Waar Stichting brein juist zegt dat het auteursrecht creativiteit stimuleert door het inkomen van de belanghebbenden veilig te stellen, noemen tegenhangers het auteursrechtsysteem de oorzaak van verlamming van deze creativiteit. Dat vindt ook Lawrence Lessing, een van de bekendste cyberjuristen ter wereld. "Elke cultuuruiting bouwt voort op eerdere cultuur. Ik vrees dat een rigide toepassing van het auteursrecht dat onmogelijk gaat maken. Het verlamt de creativiteit."

Dit argument komt ook sterk naar voren in het artikel, “Confessions of an Intellectual (Property): Danger Mouse, Michkey Mouse, Sonny Bono, and My Long and Winding Path as a Copyright Activist-Academic.”, geschreven door Kembrew Mcleod. De Amerikaanse journalist, activist en professor Kembrew McLeod neemt de controversie rondom een album van een Amerikaanse hiphop arties Danger Mouse als uitgangspunt voor zijn artikel. Op dit album, uitgebracht in 2004, worden op vernieuwende wijze hits van de Beatles gemixt met de muziek van de bekende Amerikaanse rapper Jay Z. Zijn artikel geeft een opsomming weer van voorbeelden uit de muziekindustrie waaruit blijkt de hedendaagse (digitale) cultuur en samenleving druk uitoefent op het auteursrecht. Zelf is Kembrew McLeod voorstander van het creatief gebruik van andermans werk. Hij ziet het creatieve potentieel van de huidige digitale wereld in. Naast het schrijven van artikelen valt Kembrew het auteursrechtelijk systeem aan door middel van humoristische acties. Zo laat hij de zin ‘Freedom of Expression’ patenteren en zet deze op verschillende manieren in om te laten zien hoe ver Amerika gaat wanneer het op auteursrecht aankomt.

Moeten we dan het auteursrecht zomaar afschaffen? Veel voorstanders vinden van wel. “Dat zeggen mensen die niet begrijpen waarvoor het auteursrecht is bedoel”, aldus Lawrence lessing. Hij is namelijk van mening dat het auteursrecht er wel degelijk voor zorgt dat het werk in de creatieve sector wordt beloond en dat mensen worden aangespoord om te blijven creëren. Schending van het auteursrecht moet nog steeds worden bestraft. Het knelpunt ligt volgens Lawerence Lessing vooral in de huidige wet- en regelgeving en in hoeverre deze aan de (technologische) ontwikkelingen in het digitale tijdperk voldoet. Toch is de directeur van Stichting Brein, Tim Kuik, het hier niet mee eens. Volgens hem is er fundamenteel niets mis met de huidige wet- en regelgeving. Een aantal punten zouden eventueel bespreekbaar zijn en Stichting Brein staat dan ook open voor discussie, aldus Tim Kuik. Er zijn volgens hem ook genoeg alternatieve mogelijkheden. Te denken valt aan Spotify, een legaal programma waar muziek kan worden geluisterd zonder het illegaal downloaden ervan. Echter is ook Tim Kuik het ermee eens dat het ontwikkelen van legale modellen te lang op zich heeft laten wachten en dat het gebruik van illegaal downloaden van muziek vooral in deze generatie, haast een gewoonte is geworden. Stichting Brein moet beseffen dat in de huidige moderne maatschappij, waarin het voor een wereldwijd publiek mogelijk is om auteursrechtelijke werken te delen via het internet en waarin het principe van delen en creëren bijna een alledaagse gewoonte is geworden, het haast onmogelijk is om de burger zich van dit recht te ontdoen. Zo blijkt ook uit onderzoek van Multiscope in opdracht van de Stichting Copyright en Nieuwe Media begin dit jaar, dat driekwart van de internetters blijft downloaden bij verbod. Volgens ict-advocaat Arnoud Engelfriet, een van de oprichters van de stichting, laat het onderzoek zien dat een verbod tegendraads werkt. "Hoewel legaal aanbod van muziek en films op internet moet worden gestimuleerd, is criminaliseren van de huidige downloadpraktijk een heilloze weg",

Daarnaast heb ik sterk het gevoel dat de meeste mensen niet leven met het idee dat ze ‘slecht’ bezig zijn. Veel mensen weten niet beter en het downloaden van auteursrechtelijke content wordt gemeenschappelijk geaccepteerd. Gaat er hier dan niet iets fout in de communicatie van Stichting Brein richting consument. Zou Stichting Brein zich niet beter op goede voorlichting en legale oplossingen kunnen richten dan het spelen als auteursrechtenwaakhond en hierdoor in feite ‘dweilen met de kranen open’? En ten slotte, moet de oplossing van het probleem dan ook niet worden gezocht bij het herzien van het auteursrecht?

Deze discussie wordt vandaag de dag al door velen gevoerd. Dit proces gaat echter vrij traag doordat twee uitersten tegenover elkaar het debat voeren: de voorstanders van afschaffing enerzijds en de amusementsindustrie anderzijds. Toch is de noodzaak om de wet aan te passen aan het digitale tijdperk ook aan het licht gekomen bij de overheid. Begin 2008 is er door de overheid een werkgroep samengesteld, die zich heeft gebogen over de knelpunten in het auteursrecht. Daaruit is gebleken dat de huidige wet- en regelgeving sterk is verouderd. De basisprincipes van de auteurswet zijn al tientallen jaren niet veranderd. Het is duidelijk dat de hervorming van het auteursrecht wel een belangrijk onderwerp in het actuele debat is. Uit de vele discussies en debatten over het auteursrecht komt duidelijk naar voren dat het huidige systeem niet voldoet. Over de vraag hoe dat precies moet, zijn de partijen het fundamenteel met elkaar oneens. De vraag is hoe lang dit zo blijft en of het uiteindelijk zal lukken om het auteursrecht te hervormen.

Bronnen:
McLeod, K. (2005). “Confessions of an Intellectual (Property): Danger Mouse, Mickey Mouse, Sonny Bono, and My Long and Winding Path as a Copyright Activist – Academic.” Popular Music and Society. Vol 28, pp 79-93.

B. de Winter, ‘Hervorming auteursrechten onmogelijk’, 28 mei 2010

J. Benjamin, ‘Creatief downloaden is geen misdaad’, 20 januari 2010

Stichting Brein

Stichting Copyright en Nieuwe Media, ‘Downloadverbod zal industrie niet helpen’,



maandag 20 september 2010

Werkcollege 1 - Evaluatie

De cursus Nieuwe Media in het Actuele Debat ging van start met de vertoning van de film 12 Angry Men met als uitgangspunt de invloed van lichaamstaal tijdens een discussie. Ten eerste zijn de definitie, kenmerken en de grondregels van een (goed) debat behandelt.

De film heb ik gebruikt als inspiratiebron bij het definiëren van mijn grondregels voor een goed debat. Wanneer ik mijn eigen grondregels in vergelijking trek met de tien grondregels voor een goed debat die ik op papier meegekregen heb, kom ik tot de volgende conclusie: Mijn grondregels zijn vooral gericht op de inhoud en niet zozeer op de vorm / inhoud van een debat. Ik ben vooral uitgegaan van een goed debat, met de nadruk op ‘goed’. In plaats van grondregels, zijn het eigenlijk meer de ‘do’s and dont’s’ van een debat. Dit komt waarschijnlijk omdat mijn kennis met betrekking tot deze grondregels nogal beperkt is. Ik ben dan ook zeker van plan om mijn grondregels gedurende deze cursus aan te vullen met de kennis die ik gedurende de cursus opdoe.

Daarnaast heb ik deze week al de mogelijkheid gekregen om mijn debat vaardigheden in praktijk te brengen tijdens de eerste debatteer sessie. Wat mij over het algemeen opviel is dat iedereen vrij introvert en bescheiden was tijdens het verdedigen van zijn / haar stelling. Ook werd er door de meesten geen gebruik gemaakt van lichaamstaal, een techniek die in de film 12 Angry Men juist benadrukt werd. Helaas slaan deze verwijten ook op mezelf. Ik denk dat deze punten ook een gevolg zijn van het hebben van zenuwen. Voor de volgende keer denk ik dat het belangrijk is dat zenuwen aan de kant worden gezet zodat er meer geconcentreerd kan worden op de techniek van het debatteren.

Mijn stelling was redelijk goed en actueel. De inleiding die tot mijn stelling heeft geleid was duidelijk. Inhoudelijk denk ik dat ik beter tot de kern kan komen in het gebruik van mijn argumenten zodat ik mijn standpunten op een overzichtelijke en duidelijke manier over kan brengen op het publiek.

Werkcollege 1 - Stelling


Voor het eerste werkcollege hebben wij een stelling moeten verzinnen. Mijn stelling was als volgt:

“Een wet omtrent censuur op internet moet van tafel”

Deze stelling is gebaseerd op een wetsvoorstel dat in juni van dit jaar is gedaan. Dit wetsvoorstel moet het makkelijker maken voor het Openbaar Ministerie om websites op zwart te zetten.

Argumenten voor deze stelling:

-          Op dit moment is het zo dat het OM websites op ‘zwart’ kan zetten na toetsing van de rechter. De regering wil de tussenkomst van de rechter commissaris schrappen. Officieren van justitie krijgen dus de bevoegdheid om ‘onrechtmatige informatie’ van internet te laten verwijderen. Waar ligt hier de grens? De overheid krijgt op deze manier teveel invloed op de informatie die via het Internet wordt verspreid en dit kan uit de hand lopen. Wanneer er een verbod gaat gelden op bijvoorbeeld radicale en extremistische boodschappen, komen alle andere sites die de overheid niet aanstaan al gauw aan bod.

-          Er zijn genoeg manieren voor de particuliere internetgebruiker om zichzelf te beschermen tegen ongewenste informatie op het internet. Door de inzet van software die bepaalde sites omtrent seks geweld, drugs etc. blokkeert. Hier is de tussenkomst van de overheid niet voor nodig.

-          Censuur op internet staat haaks op de wet op vrijheid van meningsuiting. Wetenschappers van de Universiteit van Tilburg adviseerden in 2007 in een rapport over de herziening van deze wetsbepalingen ook al dat de rechterlijke toetsing moet worden gehandhaafd, juist om de vrijheid van meningsuiting te waarborgen

Bronnen:

Van onze verslaggever, ‘Staat dreigt met censuur op internet’, Trouw, 16 september 2010

‘Ravage digitaal’, 8 februari 2007


Werkcollege 1 - Grondregels voor een goed debat



Met de opkomst van nieuwe media komen er verschillende vraagstukken en probleemstellingen naar boven. Nieuwe media lenen zich dan ook uitstekend als onderwerp van debat. Ik denk dat het belangrijk is om ons tijdens deze cursus een beeld te creëren van het actuele debat rondom nieuwe media en om uiteindelijk een eigen mening te vormen rondom nieuwe media in het actuele debat. Om te beginnen staan we stil bij de grondbeginselen van een goed debat. Wat maakt een debat ‘goed’? Als ik in mijn geheugen graaf naar recente debatten die ik gezien heb, blijf ik toch hangen bij het debat dat terug te zien is in de film ’12 angry men’. De door mij beschreven grondregels zijn voornamelijk vanuit dit beeld en vanuit mijn huidige kennis rondom het dit onderwerp gevormd.

Eerst wil ik even stilstaan bij de definitie van een debat; wat wordt er onder een debat verstaan? Op www.encyclo.nl vond ik de volgende definitie: ‘een gewoonlijk aan bepaalde regels onderworpen openbare discussie tussen twee of meer deelnemers over een bepaald, meestal van te voren vastgesteld onderwerp.’ Ook wil ik de volgende opvatting van een debat, gevonden op dezelfde site, met jullie delen: ‘een debat is een steekspel van argumenten tussen mensen met verschillende opvattingen.’  In deze wat meer informele opvatting kan ik mij beter vinden. Als deelnemer van een debat gaat men dus, gewapend met goed onderbouwde argumenten, de strijd aan met de ‘tegenstander’ om het publiek voor hun mening te winnen. 

Omdat de termen discussie en debat dichtbij elkaar liggen, heb ik gekeken naar de kenmerken van een debat. De belangrijkste kenmerkende elementen van het debat zijn: de stelling, de aanwezigheid van een voor- en tegenstander van die stelling, vooraf gestelde regels (m.b.t. zaken als spreekvolgorde, spreektijden etc.) en een derde onafhankelijke partij die beslist wie uiteindelijk het debat gewonnen heeft. Dit kan een professionele jury zijn of een publieksjury.

Ten slotte de grondregels van het debat. Onderstaande grondregels zijn vooral gebaseerd op de inhoud van het debat in tegenstelling tot de vorm of opbouw.

-          Er is sprake van meningen gebaseerd op feiten, bronnen en andere relevante informatie en niet (alleen) op persoonlijke vooroordelen en loze uitspraken. Je moet weten waar je het over hebt. Dit kan worden bereikt door het (objectief) inlezen over het betreffende onderwerp, bronnenonderzoek en het kritisch stilstaan bij de eigen persoonlijke vooroordelen en deze, waar relevant, onderbouwen.

-          Enthousiasme voor en betrokkenheid bij het onderwerp. Het mooiste is om te zien dat iemand echt 100% achter zijn oordeel staat en hier ook met enthousiasme over kan vertellen. Op deze manier wordt de aandacht van het publiek ook vastgehouden. Dit kan onder andere bereikt worden door moeite en tijd te steken in de voorbereiding van een debat. Het geven van anekdotes en voorbeelden uit de praktijk houden het debat levendig.

-          Een belangrijke eigenschap in een debat is luisteren en de ander laten uitpraten. Je ziet vaak dat iemand vooral bezig is met het overbrengen van zijn eigen standpunten en daarbij niet goed luistert naar de ander. Door luisteren vergaar je kennis en ben je in staat de argumenten van de tegenstander beter te weerleggen. Naast het overbrengen van je eigen standpunt is de weerlegging van argumenten een manier om het publiek te overtuigen.

-          Het is de kunst om de juiste opbouw in argumentatie aan te houden. Een duidelijke argumentatiestructuur is belangrijk. Dit betekent bijvoorbeeld dat niet alle argumenten in de eerste paar minuten worden gegeven en dat ze vervolgens alleen maar herhaald worden. Argumenten moeten op de juiste, strategische momenten worden ingezet. Daarnaast moeten de argumenten logisch en duidelijk in elkaar zitten en op de stelling slaan.

-          Lichaamstaal speelt een belangrijke rol in de manier waarop iemand overkomt. Zwakte of nervositeit kan zich via lichaamstaal naar buiten manifesteren. Aan de andere kant kan lichaamstaal ook een manier zijn om dit te verbergen. Een open, zelfverzekerde houding is hierbij belangrijk. Vertoon geen afwijkend gedrag, blijf rustig en maak oogcontact met het publiek en de tegenpartij. Ook de manier van spreken heeft invloed op de manier waarop iemand overkomt. Probeer de juiste stemvolume aan te houden en praat rustig en duidelijk.

Het is de bedoeling dat bovenstaande lijst gedurende deze cursus aangevuld en aangepast wordt. Met deze kennis wil ik vervolgens ook zelf leren om de grondregels toe te passen in het debat. Een redelijke uitdaging lijkt mij.

Bronnen:


Werkcollege 1 - Filmanalyse 12 Angry Men


Als inleiding van de cursus Nieuwe Media in het Actuele Debat werd de film 12 Angry Men vertoond. De film 12 Angry Men, een klassieker van Sidney Lumet uit 1957, is een opmerkelijke film. De film gaat over twaalf, vaak schreeuwende, mannen die een oordeel moeten veilen over de schuld van een verdachte. Het plot is vrij simpel maar daarom ook verrassend pakkend. De boodschap in deze film is om je fatsoen en gezond verstand te laten spreken, in plaats van vooroordelen of persoonlijke emoties. Vanuit het oogpunt van de cursus geeft deze film een goed beeld weer van een opvallende discussie. Het is niet alleen opvallend dat één iemand de mening van alle anderen langzamerhand weet om te draaien, maar ook de invloed die het gebruik van lichaamstaal op de uitstraling en de overtuigingskracht van een persoon heeft.


Ik heb gekozen voor het analyseren van de lichaamstaal van de man met het hoedje, de grappenmaker van de groep. Ik zal eerst uitleggen hoe deze man op mij overkomt door het gebruik van zijn lichaamstaal. Hij is ongeïnteresseerd, arrogant, ongeduldig en komt niet sterk over in deze discussie. Terwijl hij aan het woord is vermijd hij oogcontact, richt zich met zijn lichaam de andere kant op en leunt ongeïnteresseerd naar achter op zijn stoel. Daarnaast leidt hij de andere af door andere dingen te doen zoals het uitrekken van zijn jas, het afdeppen van zijn zweet en het rondlopen door de kamer. Hij zit het minst van iedereen op zijn plaats en komt daardoor ongeduldig over en lijkt het geheel niet serieus te nemen. Het is duidelijk dat hij niet zit te wachten op een lange discussie. Het kan hem eigenlijk niet schelen wat de uitkomst is, als hij maar snel naar huis kan. Aan zijn lichaamstaal is dat ook duidelijk te zien omdat hij regelmatig op zijn horloge kijkt, zucht, met zijn ogen rolt, over zijn gezicht wrijft en boos opstaat. Daarnaast gebruikt hij humor en zijn sterke aanwezigheid om zelfverzekerd over te komen en anderen te intimideren; hij fluit, doet overdreven en maakt ‘grappige’ opmerkingen.

In eerste instantie komt zijn lichaamstaal inderdaad zelfverzekerd en sterk over, echter als het puntje bij paaltje komt, komt hij eigenlijk als een van de zwakste uit de strijd. Het toppunt van zijn zwakheid is wanneer hij uiteindelijk van oordeel veranderd wanneer hij doorheeft dat de meerderheid van de jury de verdachte toch onschuldig lijkt te gaan vinden. Wanneer er wordt gevraagd naar zijn argumenten kan hij er geen enkele noemen en veranderd zijn houding van zelfverzekerd en extrovert naar boos, geïrriteerd en introvert. Op dat moment is het duidelijk dat zijn doel niet is om anderen te overtuigen van zijn mening door middel van argumenten, maar om zo snel mogelijk tot een gezamenlijk besluit te komen zodat hij naar huis kan gaan.

Bronnen:
Film 12 angry men, regisseur Sidney Lumet, 1957