maandag 27 september 2010

Werkcollege 2 - Eén op één debat



Stelling

Tijdens het één op één debat kregen wij ieder 3 minuten om ons standpunt te presenteren en vervolgens nogmaals 3 minuten om te reageren op de argumenten van de ander. Er is gesproken over de volgende stelling:

"Een nieuwe journalistieke code is met de opkomst van
burgerjournalistiek noodzakelijk"

Door de opkomst van nieuwe media en de mogelijkheden voor burgers zodoende te participeren in de journalistiek, staat de journalistieke code ter discussie. Is een journalistieke code noodzakelijk om de journalistieke regels en wetten in te kaderen. Dit debat is in 2008 op gang gekomen toen er een nieuwe journalistieke code aangenomen door het Genootschap van Hoofdredacteuren. Echter is de journalistieke code nog steeds een discussiepunt en een onbesloten onderwerp in het actuele debat.

Een van de redenen waarom men met een nieuwe code wil komen is dat de nieuwe media – internet en burgerjournalistiek – het hele journalistieke werkveld in een ander daglicht plaatsen. En men wil graag een code die met de nieuwe realiteit rekening houdt. Maar het uitgangspunt is dat er kennelijk een code nodig is. Journalistiek is niet wettelijk aan strakke regels en papiertjes gebonden zoals dat bijvoorbeeld geldt voor artsen. Iedereen kan zich dus journalist noemen en ‘nieuws’ de wereld inschieten.

De beroepsjournalisten zouden graag zien dat duidelijk is wat het kaf is en wat het koren. Zeggen dat je je houdt aan de code kan eventueel een rechtvaardiging zijn om jezelf een ‘echte’ journalist te noemen. Voor journalisten een houvast, of ten minste een uitgangspunt bij discussies; voor niet-journalisten, het publiek dus, een begin van verantwoording: hier willen journalisten op worden aangesproken.
Het doel van een journalistieke code is bijdragen aan de kwaliteit van journalistieke producten en gedragingen in Nederland. Opvallend nieuw vertrekpunt is de stelling dat iedereen journalist is die zich journalist noemt en deze code wil onderschrijven, ongeacht of deze persoon daar zijn geld mee verdient. Dat principe gaat trouwens niet alleen op voor een persoon, maar tevens voor een medium (krant, site, programma, etc.) dat zich journalistiek noemt.
Ik ben tegen bovenstaande stelling en vind niet dat een nieuwe journalistieke code nodig is met de opkomst van burgerjournalistiek. Mijn argumenten tegen de stelling:
-        De beroepsjournalisten zien de burgerjournalistiek als bedreiging in plaats van een aanvulling. En een code is hierbij een poging van de oude journalistiek zichzelf te beschermen tegen nieuwe concurrenten. Om zogezegd een hek te plaatsen rondom de professionele beroepsgroep. Burgerjournalistiek is een andere manier van nieuws brengen, het is de vrije stem van het volk. Beroepsjournalisten vinden deze scheiding belangrijk maar verwachten tegelijkertijd dat deze content aan vergelijkbare kwaliteitseisen moet voldoen. Of journalisten van de oude stempel het leuk vinden of niet, op internet hanteren mediaconsumenten andere normen. Een code is en blijft een versterking van de scheiding tussen journalisten en niet-journalisten, tussen betrouwbaar en niet-betrouwbaar, tussen professionals en amateurs

-        Een journalistieke code zou de kwaliteit het publieke debat en journalistiek moeten waarborgen. Echter is de code niet het juiste middel om dit doel te bereiken. Niemand zit te wachten op een code als middel om de kwaliteit van journalistiek te waarborgen. Er is geen draagvlak voor. Media hebben vaak hun eigen kwaliteitscodes / huisregels die zij hanteren. Zo kunnen zij zelf een verwachtingspatroon voor hun lezer creëren. Voor journalisten zijn ethische normen vanzelfsprekend in de eerste, en vaak laatste plaats een persoonlijke verantwoordelijkheid. Trekken journalisten zich nu al weinig van bestaande codes aan, nieuwe journalisten en serieuze webloggers hebben er al helemaal weinig mee. Uiteindelijk zal de burger zelf bepalen wat kwalitatief betrouwbare en valide informatie is. Er zijn geen codes nodig om die keuze zogenaamd makkelijker te maken. Bovendien wordt er niet gesproken over alternatieve methoden om de kwaliteit van het publieke debat en journalistiek te verbeteren. Het vertraagt juist op deze manier het debat over kwaliteit en betrouwbaarheid van de journalistiek.

-        Burgerjournalistiek is een vrije vorm van nieuws brengen, het brengt een nieuwe manier van omgaan met nieuws met zich mee. Kenmerkend is het snelle, vrije karakter, dit is de kracht van burgerjournalistiek. Een code is al te star voor de traditionele journalistiek om zich aan wetten en regels te binden, laat staan voor de individuele weblogger.


Analyse één op één debat
Dit eerste oefendebat was voor mij erg leerzaam. Zo ben ik tegen een paar punten aangelopen die ik kan gebruiken als leermomenten bij de voorbereiding van het ‘officiële’ debat. Ten eerste moet ik meer gebruik maken van bronnen om mijn argumenten te onderbouwen. Nu zijn het meer loze kreten in plaats van goed onderbouwde argumenten. Ten tweede moet ik nog beter luisteren naar de argumenten van de tegenstander en wellicht zijn/haar argumenten noteren zodat ik hier beter op terug kan komen. Ik heb ook gemerkt dat een duidelijke inleiding erg belangrijk is voor het publiek en dat het gebruik van vaktaal zoveel mogelijk vermijden moet worden of dat er begripsafbakening plaats vindt in de inleiding. Ten slotte heb ik gemerkt dat het erg belangrijk is om een goed afgebakende, duidelijk stelling op te stellen. Het is daarbij zaak om achteraf goed na te gaan of de argumenten inderdaad ook op de stelling slaan en niet alleen op een gedeelte van de stelling of wellicht een geheel andere stelling. Zo ben ik uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat onze argumenten niet goed op de stelling aansloten. Wij hebben eerder argumenten voor en tegen een journalistieke code in het algemeen gegeven in plaats van een ‘gemoderniseerde’ code. Een betere stelling zou in dit geval zijn geweest: ‘Is een journalistieke code noodzakelijk om de kwaliteit van hedendaagse journalistiek te waarborgen’.

Hieronder een analyse van mijn argumenten:

De claim van mijn eerste argument is dat de code een poging is om een hek rondom de professionele beroepsgroep te plaatsen. Echter het bewijs voor het onderbouwen van deze claim ontbreekt grotendeels. Dit had ik zeker beter kunnen doen, door bijvoorbeeld gebruik te maken van bronnen die ditzelfde aangeven of voorbeelden te geven uit de journalistieke code zelf.
Waar ik vooral bij deze stelling tegenaan ben gelopen is het feit dat we van tevoren niet hebben vastgesteld wat precies het doel is geweest van het Genootschap van Hoofdredacteuren bij het aannemen van deze nieuwe code. Zo komt er in de inleiding wel naar voren dat het doel is om de kwaliteit van de journalistiek te waarborgen en het kaf van het koren te scheiden. Echter dit laatste is nooit expliciet aangegeven of onderbouwd met behulp van bronnen, maar in dit geval een aanname. Nou geeft mijn argument aan dat de code is opgesteld uit angst voor concurrentie en een manier is om de professionele beroepsgroep af te sluiten. Maar uit de argumenten van de tegenstander blijkt het echter dat hij het hiermee eens is. Nu gaat de discussie eigenlijk over de stelling of de code als middel mag fungeren om een hek om de beroepsgroep te plaatsen. Daarom was het beter geweest om van te voren samen met de tegenpartij dit soort zaken beter op een rijtje te krijgen. Tot slot heb ik ook niet goed kunnen uitleggen waarom dit bewijs een bewijs is dat de stelling niet klopt.


Het tweede argument is beter opgebouwd dan het eerste argument maar sluit misschien niet helemaal aan op de stelling. De claim is dat een journalistieke code niet het juiste middel is om de kwaliteit van het publieke debat en journalistiek te waarborgen. Het bewijs ter onderbouwing van het argument wordt helaas ook hier niet onderbouwd met bronnen. De warrant ontbreekt hier omdat het argument eigenlijk niet goed op de stelling aansluit, het is namelijk een aanval op de journalistieke code in het algemeen.

De claim in het derde argument is dat een journalistieke code geen draagvlak zal hebben binnen de burgerjournalistiek. Deze claim komt echter al in het tweede argument naar voren. Het bewijs is wederom niet onderbouwd met bronnen en doet daarom tekort. Ook komt niet duidelijk naar voren waarom dit bewijs daadwerkelijk bewijsvoering voor mijn claim is. Het argument sluit ook hier weer niet goed aan op de stelling.

Zoals in de analyse van bovenstaande argumenten naar voren komt zijn mijn argumenten in het algemeen niet goed opgebouwd. Zo ontbreekt het bewijs dat de claim onderbouwd. En ook mis ik vaak de warrant, dus in hoeverre mijn bewijs nu wel echt bewijs is dat de stelling niet klopt. Het is dus erg belangrijk om je argumenten niet achteraf maar juist vooraf op deze manier te analyseren om erachter te komen of ze wel op de juiste manier in elkaar zitten. Ook is het in eerste instantie erg belangrijk om tot een goed afgebakende stelling te komen. Deze leermomenten zal ik zeker gebruiken bij de voorbereiding van mijn officiële debat.

Bronnen:
Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, ‘Code voor de journalistiek’, 2008

H. Evers, ‘Digitale cultuur zet journalistieke mores op z’n kop’, 28 mei 2009

A Pleijter, ‘Het heet zelfregulering maar journalisten zelf doen weinig’, 9 februari 2008

T. Dersjant, ‘Mediadebat niet meer van deze tijd’, 7 december 2008

M. Reijnders, ‘Wij houden ons aan geen enkele code’, 30 januari 2008

J.Stronks, ‘Journalistieke code leidt niet tot misbruik wel tot vertraging’, 2 februari 2008

H. Blanken, ‘Publiek moet media weer kunnen vertrouwen’, 7 februari 2008


Geen opmerkingen:

Een reactie posten